DAN MAAR NAAR SENEGAL EN SÃO VICENTE - 6 (01082016)

Woensdag 15 juni 2016 – Dakar – Île de Gorée
Het iets meer dan honderd jaar oude station van Dakar was ooit het begin- en eindpunt van de legendarische spoorlijn Dakar – Bamako, de hoofdstad van Mali. Oh, wat zou ik die treinreis graag een keer willen maken, maar dat is helaas niet meer mogelijk. Het station is totaal vervallen, het spoor functioneert nauwelijks meer, alleen “Le Petit Train de Banlieu” onderhoudt in de ochtend- en de avondspits een dienst van en naar Rufisque, inderdaad in de banlieu van Dakar. En dan te bedenken dat er in de koloniale tijd zo'n tienduizend Senegalese “cheminots – spoorwegarbeiders” waren. Ter compensatie, de voorbespreking met Amadou werpt gelijk al vruchten af, staat op het plein voor het station een standbeeld dat de “Tirailleurs Sénégalais” eert. Sinds ik vorig jaar in het tijdens de Eerste Wereldoorlog verwoeste Franse dorp Haumont près Samogneux onder het straatnaambordje “Carrefour du Sénégal – Kruispunt van Senegal” stond, met als onderschrift “Hommage aux Tirailleurs qui ont reconquis le village – Eerbetoon aan de tirailleurs die het dorp hebben heroverd,” heb ik mij verdiept in deze uit Frans West-Afrika afkomstige legereenheden die in beide wereldoorlogen aan Franse zijde vochten. Ook daarover wil ik tijdens deze reis meer te weten komen en dit is het begin. Net als in dat verwoeste Franse dorp niet al te ver van Verdun, worden de Franse en de Afrikaanse soldaat broederlijk samen afgebeeld. Hoewel, in Frankrijk heeft de tirailleur een helm op het hoofd en de Fransman een kepie, in Dakar draagt de Fransman een helm en de tirailleur zijn zoeavenmuts. Het monument werd in 2014 onthuld door de Senegalese President Aboulaye Wade, bijna 70 jaar nadat de Fransen in het in de buurt van Dakar gelegen Camp de Thiaroye 44 net uit Frankrijk teruggekeerde gedemobiliseerde tirailleurs doodschoten.

Tegenover het wisselkantoor, waar wat Euro's werden omgewisseld in CFA's – West-Afrikaanse Francs, staat de katholieke kathedraal van Dakar, die er niet erg als een kathedraal uitziet. Nu ik hier toch ben, ook maar even binnen kijken om vast te stellen dat het een behoorlijk “kale” kerk is voor een katholiek Godshuis. Doch ik heb iets over het hoofd gezien, iets dat me wordt kwalijk genomen. Want als ik de kerk door een zijdeur verlaat, komt er iemand achter mij aanrennen: “Monsieur, monsieur!” Eerst reageer ik niet, maar hij houdt aan: “U heeft de tombe van de aartsbisschop achter het altaar nog niet gezien.” Oei, ik heb onbewust een zonde begaan. Het zij zo, het is de hoogste tijd om met de pont naar het vlak voor de kust gelegen Île de Gorée te gaan, het eilandje Gorée. “TAM TAM INTERDIT,” staat op een verbodsbordje op het bovendek, maar niemand heeft een djembé – een traditionele vaastrommel – bij zich. De overtocht duurt een minuut of twintig, hoewel het eiland steeds groter wordt, blijft het klein. Op de punt een rij palmen die uitkomen bij een fort, het ziet er net zo idyllisch uit als ieder ander willekeurig tropisch eiland.

Gorée, Goeree, Goede Reede, 900 meter lang en 350 meter breed, was ooit in handen van de WIC, de West-Indische Compagnie. Het was de centrale handelspost en stapelplaats voor slaven afkomstig uit de Bovenkust of Senegambia, de regio waar de WIC een aantal forten en handelshuizen had opgericht die tezamen als aanvoerlijn van slaven naar Gorée dienden. “Aanvoerlijn” en “stapelplaats” klinken nogal cru, maar het was niet anders. De slavenhandel ging per scheepslading, het nam enige tijd voordat voldoende slaven bijeengebracht waren om een scheepsruim te vullen. Ondertussen werd de menselijke handelswaar opgesloten in een van de op het eiland gevestigde “comptoirs” van waaruit de tussenhandelaars van slaven opereerden. Één van die comptoirs was gehuisvest in wat nu het “Maison des Esclaves” is, dat qua “logistieke opzet” nogal wat wegheeft van het WIC fort Elmina in Ghana: woonverblijven en kantoren boven, opslagruimte voor de slaven beneden inclusief een poortje naar zee van waaruit de slaven naar de schepen werden geroeid die voor de kust voor anker lagen. 't EYLANDT GOED REED AEN CABO VERDE, zoals het op een WIC kaart uit 1625 van – vermoedelijk – de hand van Hessel Gerritsz staat aangeduid, kwam in 1688 in Franse handen, die er vervolgens een slavendepot van maakten. Cabo Verde of Cap Vert, zoals het tegenwoordig heet, is de meest westelijke punt van het Afrikaanse vasteland dat binnen de stadsgrenzen van Dakar tegenover het eiland ligt. Vanwege de rol die het speelde in de trans-Atlantische slavenhandel werd het eiland tot werelderfgoed verklaard: “het eiland Gorée getuigt op een uitzonderlijke manier van een van de grootste tragedies in de menselijke geschiedenis: de slavenhandel. De verschillende onderdelen van dit “herinneringseiland” – forten, gebouwen, straten, pleinen, et cetera – vertellen, ieder op hun eigen manier, de geschiedenis van Gorée dat, van de 15e tot de 19e eeuw, het grootste slavenhandelscentrum voor de kust van Afrika was.” Volgens de UNESCO is Gorée tegenwoordig een bedevaartsoord voor de nazaten van de slaven die aan de andere kant van de Atlantische Oceaan wonen.

wordt vervolgd