|
NICARAGUA – REIS LANGS EEN ONZICHTBAAR KANAAL - 17 (28052016)
Zondag 6 maart 2016 – La Corona – El Rama – Bluefields
Hector wees mij gisteren op de kaart de kortste weg aan naar El Rama, 100 kilometer korter dan de weg die iedereen neemt. “Dat scheelt ruim een uur. Wat vind jij ervan?” Ik vond daar niets van, ik ben immers nooit eerder in Nicaragua geweest terwijl hij de weg zou moeten kennen. “Zolang ik er voor de panga van 11 uur naar Bluefields ben, mag jij doen wat je het beste lijkt.” Er zijn van die dagen dat ik onbewust meegaand ben, dit was er één van. Het eerste uur gaat prima, glad geasfalteerde en goede klinkerwegen. Na San Ramón wordt het minder. Geen asfalt of klinkers meer, maar een verharde weg die men hier “macadán” noemt: gestampte aarde die deels is verstevigd met losse steenslag. In de veronderstelling dat Hector weet wat ie doet, houd ik mijn mond. Zij het met moeite, want hij had mij een klinkerweg beloofd en nu rijden we met een slakkengang over een weg met kuilen en kuiltjes. Helaas is zijn wegenkaart in La Corona achtergebleven en kan ik niet “meerijden.” Pas achteraf zie ik dat in plaats van de afslag naar San Dionisio te nemen, hij rechtdoor had moeten rijden. Bij Boaco komen we op de “omweg” terecht, de doorgaande tweebaansweg van Managua naar El Rama, dat volgens de wegwijzer ruim 200 kilometer verderop ligt. Ik begin te twijfelen of we daar inderdaad op tijd voor de panga van 11 uur zullen zijn. Het lijkt mij een onmogelijke opgave. Nadat ik Hector heb gevraagd of hij de weg tussen San Ramón en Boaco of die tussen Boaco en El Rama al eens eerder heeft gereden, is zijn weinig verrassende antwoord dat dit de eerste keer is. Toch houdt hij vol dat ik de boot zal halen, doch voegt niet de daad bij het woord door bijvoorbeeld stevig door te rijden. De rit is monotoon tot vervelens toe: platteland met af en toe een dorpje, veehouderij en heerlijk ouderwets melkbussen langs de weg. Met nog een uur de tijd en meer dan 100 kilometer te gaan, met in mijn achterhoofd dat de volgende panga pas om 3 uur vertrekt, krijg ik goed de pest in als Hector voorstelt om even te pauzeren omdat ze in het dorp dat we passeren zulke lekkere quesillos hebben. “Ik wil de panga van 11 uur halen en quesillos heb ik al geproefd, ik vond ze niet te vreten.” “Dus je wilt doorrijden?” vraagt hij verbijsterd “we halen het makkelijk.” Vlak voor het middaguur bereiken we El Rama, anderhalf uur later dan gepland. In het boekingskantoor kan ik een kaartje kopen voor de volgens de Nicaragua-expert niet bestaande afvaart van 12 uur! “Nog acht plaatsen,” meldt de dienstdoende dame. Ik betaal en krijg een roze kwitantie met een handgeschreven 4 erop. Snel naar het toilet en dan meteen door naar de steiger.
Pas daar zie ik wat een panga is: een open boot van fiberglas met krachtige buitenboordmotor. Vijf planken over dwars voor de passagiers, in de punt is een bagageruimte. Sommige pangas hebben een afdakje van zeildoek, de meeste echter niet. Eenmaal beladen, liggen ze vrij diep in het water en stuiven als speedboten over de rivier. Er liggen er drie te wachten, voor de passagiers met een roze kwitantie met een 1, een 2 of een 3 erop. Die mogen instappen en vertrekken, de ongeveer 10 m/v met een kwitantie met een 4 erop worden aan hun lot overgelaten! Tot overmaat van ramp begint het te regenen. “Nee, aan de Caribische kant regent het stukken minder dan aan de kant van de Stille Oceaan,” hield Hector vol toen ik hem dat vroeg nadat de kleur van het landschap geleidelijk van dor bruin in fris groen veranderde. We schuilen in een hok, er komen wat passagiers bij, maar niet genoeg. “De volgende bus uit Managua arriveert over twee uur,” zegt iemand, “dat wordt lang wachten.” Uit de “Guía del Viajero” van het Nicaraguaanse toeristenbureau: “Een belangrijk detail is dat de pangas pas vertrekken als ze vol zijn, normaliter 20 personen. De laatste vertrekt om 3:30pm, maar alleen als alle plaatsen zijn verkocht, zo niet dan wordt de reis geannuleerd.” Wij zijn ondertussen met 14 m/v, nog steeds niet genoeg, maar dan gebeurt er een klein wonder. Er wordt een panga voor 16 passagiers gereed gemaakt, we gaan in de stromende regen aan boord. Mijn regenponcho zit in de koffer, aan de Caribische kust regent het immers haast nooit! Er is echter een heel praktische oplossing om de passagiers droog te houden: een groot stuk zwart landbouwplastic dat de lengte en de breedte van het vaartuig heeft. Zodra de bui voorbij is wordt het in de breedte opgerold, stand-by voor de volgende bui en de volgende......... Op de rivieroever staat af en toe een huis, een piepklein dorpje of een plantage met bananen of oliepalmen. Als we een scheepswerf met verroeste schepen passeren en het water onrustiger wordt, weet ik gewoonweg dat de Caribische Zee en Bluefields niet ver meer kunnen zijn.
wordt vervolgd
|