NICARAGUA – REIS LANGS EEN ONZICHTBAAR KANAAL - 14 (17052016)

Vrijdag 4 maart 2016 – Matagalpa – El Chile – Matagalpa
Aan het traditionele weven met de rond het dorp geteelde en geoogste katoen kwam tijdens de dictatuur van de familie Somoza abrupt een einde nadat het verbouwen van katoen en het spinnen en weven daarvan werd verboden. Over “het waarom” bestaan verschillende versies, het zou zijn gedecreteerd om de familiebelangen in de textielindustrie een monopoliepositie te geven, de andere uitleg was dat er op die manier “arbeiders” beschikbaar zouden komen voor de lokale landeigenaren. Hoe het ook zij, het was een Argentijnse medewerkster van de ontwikkelingsorganisatie OXFAM die het eeuwenoude ambacht na het einde van de burgeroorlog weer tot leven zou wekken. Dat viel niet mee, want er waren nauwelijks meer vrouwen in leven die het oude ambacht beheersten, terwijl degenen die dat nog wel deden, bang waren om erover te praten, laat staan hun kennis door te geven. De angst voor het ancien régime was diep geworteld. Uiteindelijk trof men iemand die wél wilde vertellen en voordoen hoe het weven met een weefgetouw, waarvan het uiteinde van de weefband om de heupen van de weefster is bevestigd, in zijn werk ging en kon een begin worden gemaakt met het reanimeren van een bijna verdwenen ambacht.

Zoals Drs. P vroeger zong in “de Veerman”: “Heen en weer, heen en weer” gaat de spoel door het weefgetouw, de patronen en kleuren zijn helder. De weefbanden zijn dubbel zo breed als in Nigeria, de kleuren stukken feller, de katoenen draden gladder zodat het effect van met de hand gesponnen draden ontbreekt. Die draden worden trouwens kant en klaar uit buurland El Salvador geïmporteerd. De dames zijn, volgens de gids althans, vrijwel allemaal ongehuwde moeders die door de verwekkers van hun kinderen in de steek zijn gelaten en het verder zelf maar moesten uitzoeken. Dat hebben ze dus gedaan. Ze hebben zich georganiseerd in twee kleine coöperaties en voorzien aldus in hun levensonderhoud. Na de lege chocoladefabriek is het bezoek aan de weverijen stukken levendiger, maar opnieuw niet helemaal wat ik ervan verwachtte. De weefsters werden vroeger “manteras” genoemd, naar een “manta” een deken of omslagdoek, tegenwoordig worden er hoofdzakelijk in dollars geprijsde hebbedingetjes geweven voor de passerende toeristen. Ik ben op zoek naar een een mooie omslagdoek, zo eentje als ik in León zag maar niet kocht omdat ik dat perse hier wilde doen. “Dat kan alleen op bestelling meneer en dat duurt drie weken.” Gelukkig weet degene voor wie ik de omslagdoek had willen kopen van niets, zodat ze ook niet teleurgesteld kan zijn.

Terug in Matagalpa is het Casa Museo Carlos Fonseca nog steeds gesloten, we besluiten bij Freddy de Nicaragua-expert langs te gaan, want die wist zeker dat het huis vandaag open zou zijn. Hij reageert oprecht verbaasd en belt gelijk met het gemeentehuis om er voor te zorgen dat het desnoods alleen voor mij een uurtje opengaat. Over zijn bureaustoel hangt de rood-zwarte revolutionaire vlag, ik vraag hem of hij soms een belangrijke functie binnen de partij heeft en of dat heeft geholpen? Hij moet daar erg om lachen en zegt: “Dat zie je zo dadelijk wel als de deur open of dicht is.” De deur staat open, langs de muren van de kamers staan vooral panelen waarop de geschiedenis van het FSLN met veel tekst en weinig beelden wordt verteld. Uiteraard met extra aandacht voor de rol van Carlos Fonseca: “Comandante en Jefe de la Revolución Popular Sandinista” en “CMDTE. Carlos Fonseca Amador Fundador y Constructor del FSLN – 23/06/1936 caido en combate Zinica 07/11/1976.” Het is allemaal behoorlijk statisch. Om nou de tekst op ieder paneel te gaan lezen, is iets teveel gevraagd van deze visueel ingestelde bezoeker. En dan raak ik in gesprek met Mario Zuniga, een van de ex-revolutionairen die het museum bestieren. Hij neemt mij onverwacht bij de hand en begint enthousiast te vertellen over de zegeningen van de revolutie, over Fonseca, over Borge over, ja waarover eigenlijk niet. Op zijn agenda en thermosfles heeft hij een sticker geplakt van El Che met de iconische foto van Alberto Korda. Beide attributen liggen op een bureau in de pijpenla achter de expositieruimte waar, naast opnieuw veel panelen, vitrines staan met persoonlijke eigendommen van Fonseca. Zijn kenmerkende bril met grote glazen, een wit overhemd, de schrijfmachine waar hij politieke manifesten op schreef, zijn studentenkaart, zijn kalasjnikov, alles wordt bewaard en door de bezoekers bewonderd – aanbeden zou iets te ver gaan – alsof het relikwieën zijn in een katholieke kerk. Dat alles zorgt ervoor dat ik het gevoel krijg door een aan Fonseca gewijde schrijn te lopen. Een half uur na het museum te hebben bezocht, krijg ik ook nog eens een passende toegift. Uit de richting van het Parque Rubén Darío komt gedragen muziek, er zijn veel mensen op de been en dan verschijnt er een groep mannen met een supergroot tafelblad op de schouders dat als draagbaar fungeert. Er bovenop een groot beeld van een lijdende Jezus die een kruis meesjouwt. Over drie weken is het Pasen. De processie trekt verder, ik ga een paar flesjes Victoria Clásica scoren, het Nicaraguaanse bier dat mij het beste smaakt.

wordt vervolgd