MARLEY NATURAL – JAMAICAANSE HERINNERINGEN (05122014)

“Hoe lang bent u van plan in de Verenigde Staten te blijven,“ was de in mijn ogen weinig ter zake doende vraag van de behoorlijk zwaarlijvige dame van de paspoortcontrole in Miami. “Anderhalf uur,“ was mijn precieze antwoord. Ik had liever “zo kort mogelijk“ gezegd, maar voor dat soort antwoorden zijn ze overgevoelig in het land van Uncle Sam. Ze keek mij vragend aan, waarop ik de instapkaart voor mijn aansluitende vlucht naar Kingston, liet zien. ”Well, I guess I got to believe you then,“ was haar reactie. Mijn paspoort werd gestempeld en ik mocht de Verenigde Staten binnen om vervolgens aan te sluiten in de rij voor de veiligheidscheck en de paspoortcontrole om het land weer te mogen verlaten. Zo gaat dat in wat Amerikanen nogal overdreven “the greatest country on earth” vinden, een land met internationale luchthavens zonder transferzones voor passagiers zoals ik: een reiziger met een Nederlands paspoort die van Santo Domingo in de Dominicaanse Republiek naar de Jamaicaanse hoofdstad reist met een tussenstop in Miami. Van het ene drugsland naar het andere. Dat mijn vaste woon- en verblijfplaats Buenos Aires in Argentinië is, wekte verder geen enkel wantrouwen of nieuwsgierigheid. Kennelijk een routinegeval waarvan er dagelijks tientallen voorbij komen...... Nee, dan de ontvangst op het Norman Manley Airport van Kingston. De bloedmooie, uiteraard zwarte, jonge vrouw met stralende glimlach informeerde na het zorgvuldig bekijken van mijn paspoort: ”Are you the Ambassador of the Netherlands, Sir?” Mijn door de Ambassadeur in Santo Domingo afgegeven paspoort had haar kennelijk in de war gebracht. Pas naderhand vroeg ik me as of ze tijdens hun opleiding niet leren hoe een diplomatiek paspoort eruit ziet. Zoiets zeg je ook niet als je het land in wilt, dus antwoordde ik geheel naar waarheid dat ik dat niet was. En de neiging om haar mijn visitekaartje te geven en te vertellen dat ik in het Hilton logeerde, onderdrukte ik eveneens. Tenslotte was ik naar Kingston gereisd voor mijn werk en niet voor mijn plezier.

De herinneringen aan mijn twee reizen – zakelijk overigens – naar Jamaica komen wel vaker boven drijven bij het lezen van de naam Bob Marley of bij het horen van reggaemuziek van hem of van the Wailers of van Desmond Dekker & the Aces of van gedateerde hits waarin Kingston Town wordt bezongen of Montego Bay. Tot nu toe, zo dien ik te bekennen, is er nooit tijd geweest of gewoonweg geen animo om die herinneringen op te schrijven totdat “Marley Natural” werd aangekondigd. Maar daarover later. Op de eerste avond in Kingston stelde een collega voor om te gaan eten bij Akbar, “het beste Indiase restaurant van de stad,” bovendien op minder dan een kilometer van het hotel. Het was té lang geleden dat ik een goed bereide chicken vindaloo had gegeten om nee te zeggen tegen dit toch wel wat saaie voorstel. Eigenlijk had ik ook wel zin in een avondwandeling, maar die bleek er niet in te zitten. “Veel te gevaarlijk!” Ik kon mijn oren niet geloven. We zouden met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid worden beroofd, was de belofte en waarom zouden we überhaupt gaan lopen als het restaurant gratis vervoer van en naar het hotel aanbood? Daar viel weinig tegen in te brengen. Daarnaast wilde ik de werksfeer voor de komende dagen niet onnodig verzieken en drong niet verder aan. Tussen het hotel en het restaurant ligt de wijk die kennelijk is vergeven van de prostituees, drugdealers en verkeerde nachtclubs. So what? Wat mij betreft hadden we ons de rit kunnen besparen, het eten was alles behalve haute cuisine.

Na de volgende ochtend in een vergaderkamer van het hotel tegenover een fotocollage met een zingende Bob, een blowende Bob en een relaxte Bob te hebben gezeten en nu ik toch in Kingston was, was een bezoek aan het Bob Marley Museum onvermijdelijk. Het is gevestigd in het huis waar waar de legendarische zanger tussen 1975 en 1981 heeft gewoond en dat door de erfgenamen onder leiding van Rita Marley in een bedevaartsoord is veranderd. Hen valt niets te verwijten, de schoorsteen moet natuurlijk ook roken voor de achtergebleven extended family. Het is een typisch Brits koloniaal huis zoals ik dat ken uit West-Afrika en andere Caribische eilanden. In de koloniale tijd lag het vast en zeker in een GRA, Gouvernment Reserved Area, de exclusieve blanke enclaves in de Britse koloniën. In Nigeria heb ik er in Lagos lang na de onafhankelijkheid zelf in gewoond, op Victoria Island en Ikoyi (ook een eiland). Helder voor de geest staat het eigendomsbewijs van een perceel op Ikoyi Crescent dat volgens de koloniale autoriteiten in de “European Quaters” lag en waarin heel gedetailleerd was vastgelegd dat de boys' quarters – de bediendeverblijven – dusdanig klein moesten zijn dat er geen (zwarte) families konden wonen. Het ging zelfs verder vertelde ooit een kennis wiens vader er huisbediende was geweest, degenen die niet in de bediendeverblijven woonden moesten 's avonds voordat het donker werd de eilanden verlaten. “Zodat jullie blanken konden doen wat jullie wilden, zonder te worden bespied door de natives!” Gevolgd door een vette knipoog. “Apartheid” mag een Nederlands klinkend woord zijn, over wie de rassenscheiding heeft uitgevonden en uitgebreid heeft toegepast, bestaat bij mij geen enkele twijfel.

wordt vervolgd