|
CARGO CRUISE – dagboek van een zeereis - 26 (07122015)
Donderdag 24 september 2015 – Atlantische Oceaan ter hoogte van de Azoren
Om 08.30 ligt de Sambhar opeens stil op 33ºN49ºW voor een “special job”. Tien minuten later gaan we weer volle kracht vooruit, helaas geen spanning en sensatie. Maar na bijna drie weken op zee beleef ik wel een van de mooiste momenten van deze reis. Mooiste moment op volle zee welteverstaan. Het gebeurt rond half drie 's middags op 38ºN46ºW. Marcelino, de tweede stuurman, deed me een paar dagen geleden een gebruikte zeekaart cadeau en het leek mij wel wat om daar de route van de reis op te plotten. Als hij daar bijna mee klaar is, komt de Kapitein even op de brug kijken. Even maar, want buiten de tijden dat er een loods aan boord is en hij hoe dan ook op de brug aanwezig moet zijn, zie je hem daar zelden. Het idee zat al een paar dagen in mijn hoofd: ik wil een keer naar de boeg van het schip. Vandaag schijnt de zon en is de zee redelijk rustig, voor de komende dagen wordt een verslechtering verwacht, hetgeen is te zien aan het loodgrijs dat in het Pruisisch blauwe zeewater wordt bijgemengd. We varen op ongeveer 250 mijl ten westen van Flores, het buitenste eiland van de Azoren, de archipel waar volgens het weerbericht altijd de depressies vandaan komen. Het is dus nu of nooit. “Geen enkel probleem,” reageert hij, “doe goede schoenen aan, ga langs stuurboord, kijk goed uit voor de klappen van de wind die je tussen de rijen containers krijgt, meldt aan de brug al je vertrekt en weer terug bent én vergeet niet om de Titanic te doen!” Op het “U deck,” het laatste open dek boven de zeespiegel, is een lang looppad met de containers aan de ene kant en een minimalistisch hekwerkje – de reling – en de zee aan de andere. Na vijftig meter hangt aan de zeekant de ingeklapte valreep buiten boord, staat een keurig opgerolde en ingepakte touwladder en op het dek staat met gele letters twee keer “PILOT ACCESS POINT KEEP CLEAR” geschilderd. Tussen iedere rij containers is een pad dat dient om de onderste containers te kunnen sjorren en de temperatuur en het vochtgehalte van de reefers te kunnen controleren, er staan schakelkasten om die koelcontainers aan te kunnen sluiten op de elektriciteitsvoorziening van het schip. Iedere keer als ik zo'n pad passeer hoor ik de deuren van de containers bijna spookachtig klapperen, na ongeveer 200 meter klim ik de trap op naar de boeg. In de voorste driehoek van de Sambhar wordt de meeste ruimte ingenomen door de trossen, de staande lieren waarlangs die via de kabelgaten naar de wal worden geleid en de enorme ankerkettingen. De eerste rij containers vormt een hoge muur die je van de rest van het schip afschermt, afsluit zelfs. De brug is niet meer te zien, het is een eilandje waar midden op de oceaan totale rust heerst omdat, als het schip onderweg is, niemand er iets heeft te zoeken. Het aller gekste is dat het continu op de achtergrond aanwezige gestamp van de motoren hier totaal ontbreekt, het enige dat je hoort is het geluid van de boeg die door het oceaanwater snijdt. Het is een onwerkelijk zacht ruisend geluid, zoals dat van een rondvaartboot die door een Amsterdamse gracht vaart of door de Rotterdamse haven. Ik ga op een van de grote ijzeren “garenklosjes” zitten - de lieren waar omheen bij de sluizen van het Panamakanaal de kabels van de locomotieven werden gelegd – en laat de stilte op me inwerken. Op de voorplecht zit ik midden in een enorme cirkel - het is me opgevallen dat de rechtlijnige horizon op zee ontbreekt en dat de horizon rond om ons heen loopt - van alleen maar water en wolken verder niets. Geen vogels, geen walvissen, geen dolfijnen, geen andere schepen, geen ander geluid dan het ruisen van de boeggolf, ik ben even alleen op de wereld. Nu was ik de afgelopen weken al behoorlijk onthaast geraakt, maar dit is anders, er gaat op deze plek nog eens een schepje bovenop, ik heb me in jaren niet zo ontspannen gevoeld. Een half uur lang laat ik alles wat me het afgelopen maanden is overkomen de revue passeren, ik zit op deze bijzondere plek onbewust te mediteren. Als het weer meezit, moet ik dit voordat we volgende week de Nieuwe Waterweg opvaren nog eens proberen te doen. Natuurlijk doe ik voor weer terug te gaan hetzelfde wat Leonardo di Caprio in de film Titanic deed, ik ga schuin tegen de binnenkant van de punt van de boeg hangen met mijn gezicht naar de oceaan en spreid mijn armen. Het zou helemaal volmaakt zijn geweest als mijn geliefde hier nu naast me had gestaan om de vrouwelijke hoofdrol te spelen en deze unieke ervaring met mij te delen. En nee, dat het mierzoete door Celine Dion gezongen “My heart will go on” niet op de achtergrond klinkt, is geen gemis, het zou de bijzondere ervaring juist totaal hebben bedorven. Nadat ik mijzelf heb moeten dwingen de wandeling terug te maken, meld ik me keurig af op de brug en geniet nog uren na.
wordt vervolgd
|