CARGO CRUISE – dagboek van een zeereis - 24 (28112015)

Zondag 20 september 2015 – Boca Chica – Dominicaanse Republiek
De tafel is gedekt, het eten staat klaar, tijd voor de lunch. Yves kreeft, ik een lokale visschotel in pikante saus met gebakken banaan. Aan de tafel naast ons zitten twee jonge vrouwen en een van de mannen die klanten de strandtent binnen praat. Hij wordt aangesproken met “Hermoso,” de bijnaam voor een mooie jongen. Terwijl ze met elkaar zitten te kletsen, gaat af en toe een van hun telefoons, er worden met tussenpozen sms-jes verstuurd. Als Hermoso bezig is om bier te halen voor een paar nieuwe klanten, gaat een man op zijn stoel zitten: blank, lichte bochel, grijs, kalend. Hij geeft de dames een hand en is duidelijke gecharmeerd van het slanke meisje met de bril, hetgeen niet in goede aarde valt bij de andere tafeldame. Uit haar gebaren maak ik op dat ze de man duidelijk maakt dat hij met haar heeft gebeld en een afspraak met haar heeft. Even later staat de ander op en loopt weg. Het kwartje valt, hier wordt het oudste beroep ter wereld uitgeoefend. Boca Chica staat wat dat betreft trouwens in een kwade reuk bij de een en is zeer populair bij de ander. In de vele clubs zouden 's avonds honderden jonge dames als sekswerker de kost verdienen. José had me eerder de goede raad gegeven om uit te kijken met goed ogende jongedames die me eventueel op straat zouden aanspreken “ze komen met z'n drieën of z'n vieren, eentje begint je te kussen, ze grijpen je in je kruis en halen gelijk je zakken leeg, 't is een maffia. Het verstandigste is een meisje in een bar op te pikken, dat kost je 50 of 60 dollar inclusief de drankjes, eten en de kamer met airconditioning.” Het weggestuurde meisje staat een kwartier later in zee een man met hetzelfde profiel als van die zonet aan tafel, maar dan zonder bochel, haar diensten aan te bieden. Met succes zo te zien.

Eerder dit jaar bezocht in het Joods Historisch Museum in Amsterdam de tentoonstelling “Joden in de Cariben.” Ietwat wat overdreven voor een expositie die zich beperkt tot “Vier eeuwen geschiedenis in Suriname en Curaçao,” en die vooral het spoor volgt van naar Amsterdam gevluchte Portugese Joden, die via Recife - dat van 1630 tot 1654 de hoofdstad van de WIC kolonie Nieuw Holland was – en New York in Curaçao en Suriname terecht kwamen. Recife bezocht ik net nadat er in een krant het bericht was verschenen dat in een huis een “mikwe” was gevonden, een Joods badhuis, dat er op duidde dat in de stad de eerste synagoge op het Amerikaanse continent was gebouwd. Nadat de Portugezen hun kolonie hadden heroverd, was het gedaan met de godsdienstvrijheid en trokken de Joden verder richting Nieuw Amsterdam en nadat het New York was geworden vervolgens naar Curaçao en Suriname. De kennis en de handelskanalen van suikerriet en suiker reisden mee. Tussen 1759 en 1814 ondersteunde de Portugees Joodse gemeente in Amsterdam armlastige leden om naar Suriname en Curaçao te vertrekken om daar een nieuw bestaan op te bouwen. Twee jaar geleden bezocht ik de Jodensavanne aan de Surinamerivier en zag de grote Synagoge aan de Keizerstraat in Paramaribo. Ondertussen kent heel Nederland de uit Suriname overgewaaide frisdranken van Fernandes, de familie Fernandes zijn Suri-Joden, en Madurodam, dat werd gebouwd ter nagedachtenis van de in de Tweede Wereldoorlog omgekomen Curaçaoënaar George Maduro, lid van een welgestelde Joodse zakenfamilie.

Geen aandacht werd besteed aan de Joodse vluchtelingenstroom die tegen het einde van de jaren dertig van de vorige eeuw op gang kwam en waarin de niet Nederlandse Cariben een zekere rol spelen. Zo vertelde de schrijver Arnon Grunberg in het programma “College Tour” over hoe zijn Joodse moeder en haar familie hadden geprobeerd om Nazi Duitsland te ontvluchten. Op 13 mei 1939 waren ze met de Saint Louis uit de haven van Hamburg vertrokken met bestemming Cuba, aangekomen bij Havana werd hen geen toestemming verleend om aan land te gaan ondanks het bezit van geldige visums. Het schip was doorgevaren naar Florida, maar door de Verenigde Staten werd evenmin toestemming gegeven aan land te gaan. Uiteindelijk was de Saint Louis teruggekeerd naar Europa en was zij in Amsterdam terechtgekomen en daarna alsnog in een concentratiekamp. En dat terwijl de Dominicaanse dictator Trujillo zich in 1938 tijdens de Conferentie van Évian bereid had getoond om inreisvisa af te geven voor 100.000 Joden, vermoedelijk om de bloedige moordpartij op duizenden Haïtianen in zijn land “goed te maken.” Ze waren welkom in Sosúa, aan de noordkust van het eiland, waar een op het kibboetsmodel gestoelde landbouwgemeenschap werd opgezet. Slechts 800 Joodse vluchtelingen zouden zich er vestigen, waarvan velen naderhand naar Israël en de Verenigde Staten vertrokken. Sosúa is de afgelopen decennia een populaire toeristenbestemming geworden én een berucht paradijs voor hoerenlopers. Zoiets als Boca Chica aan de zuidkust.

wordt vervolgd