NAAR DE BRON VAN DE MAAS (06082015)

Fascinerend vond ik en vind ik de verhalen van ontdekkingsreizigers die in de tweede helft van de 19e eeuw in Afrika op zoek gingen naar de bronnen van de Nijl of de loop van de Congo probeerden te volgen en in kaart te brengen. Zonder GPS, doch met deels blinde kaarten waar niet meer dan de kuststroken gedetailleerd op stonden, landinwaarts was het wit, dat moest nog worden “ontdekt”. Door de Europeanen althans. De reizen van Henry Morton Stanley dwars over het continent, de reizen van David Livingstone over de Zambesi en naar het Tanganyikameer, Richard Burton die samen John Hanning Speke op zoek ging naar de bronnen van de Nijl, Speke die op aanwijzing van de lokale bevolking het Victoriameer “ontdekte” én de bron van de Nijl, Mungo Park die de loop van de Niger in kaart bracht, waar de bron lag was eerder vastgesteld door Alexander Gordon Laing. Dankzij de financiering door de Association for Promoting the Discovery of the Interior Parts of Africa en de Royal Geographical Society, waren het vooral Britten die op ontdekkingsreis gingen. Hoewel Stanley op een gegeven moment in dienst trad van Koning Leopold van België, die in ruil daarvoor de Kongo-Vrijstaat in bezit kreeg. Die ontdekkingsreizen duurden soms jaren en velen lieten het leven. In vergelijking daarmee is mijn voorgenomen trip naar de bron van de rivier de Maas een fluitje van een cent.

Op de Rotterdamse Maasboulevard rijd ik langs een brede drukbevaren Nieuwe Maas, ruim twee uur later zie ik vanaf een hooggelegen viaduct bij Namen la Meuse in de diepte liggen. Nog een uur verder duikt de rivier vlak na de Belgisch-Franse grens, even ten zuiden van Bouillon, weer op bij Mouzon. Daar is de rivier inmiddels gereduceerd tot een voor de commerciële scheepvaart onbevaarbare stroom die hier lui door het Maasdal stroomt en gezelschap heeft gekregen van het min of meer parallel lopende Canal de l'Est. Dat kanaal werd na het einde van de Frans-Duitse oorlog gegraven omdat de Duitsers de Elzas en het grootste deel van Lotharingen als oorlogsbuit hadden gekregen, waardoor de Fransen de toegang tot een aantal oostelijk gelegen waterwegen waren kwijtgeraakt. Na drieënhalf uur ben ik in Stenay, waar het kanaal en de rivier elkaar bijna kunnen raken en dat tijdens de winterse overstromingen ook doen. De rivier heeft hier vandaan nog zo'n 700 kilometer te gaan naar de Maasmond, de bron ligt ongeveer 225 kilometer naar het zuiden. Omdat ik die kilometers zoveel mogelijk langs de rivier wil rijden, zitten internetrouteplanners en de TomTom me behoorlijk dwars. Die dingen willen je zo snel mogelijk van A naar B laten rijden, iets dat ik juist niet wil, maar daar komt de Franse plaatsnaamgeving heel erg van pas.

Tussen Stenay en Verdun liggen achtereenvolgens Dun-sur-Meuse, Sivry-sur-Meuse, Brabant-sur-Meuse, Bras-sur-Meuse en Belleville-sur-Meuse. Tussen Verdun en Saint-Mihiel liggen Dieue-sur-Meuse, Genicourt-sur-Meuse, Ambly-sur-Meuse, Lacroix-sur-Meuse en Rouvrois-sur-Meuse. Tussen Saint-Mihiel en Neufchâteau alleen maar Han-sur-Meuse. Tussen Neufchâteau en de bron liggen dan nog Bazoilles-sur-Meuse, Romain-sur-Meuse en Dammartin-sur-Meuse. Net zoals sommige ontdekkingsreizigers ga ik heel ouderwets de rivier volgen, want dan kom je immers vanzelf bij de bron? En voorts reken ik erop onderweg meer te zullen zien dan alleen het water van de Maas en het Canal de l'Est. De weg tussen Stenay en Verdun meandert mee met een rivier die vrijwel onzichtbaar aan de rechterkant stroomt, de loop is herkenbaar aan het bomenlint op de oevers. Heuvel op, heuvel af, dorp na dorp, bos na bos, akker na akker met hooirollen die liggen te wachten om te worden opgehaald. Wat is er toch met de traditionele hooischelf gebeurd? Een ietwat retorische vraag, want sinds het in onbruik raken van de zeis, is het ook gedaan met dorsen en hooien en hebben – heel onromantisch – landbouwmachines dat werk overgenomen. Uiteraard ook veel weiden met gesubsidieerd melkvee en vleeskoeien. Franse boeren protesteren vandaag opnieuw – gelukkig op andere wegen – voor hogere prijzen voor hun producten, terwijl ik vorige week nog las dat de gemiddelde rundvleesboer jaarlijks €40.800 aan subsidies ontvangt. Rupsje nooit genoeg zit zelden stil in dit land.

Bij Verdun – op 167 kilometer van de bron – is de Maas weer lekker breed, anders dan af en toe een pleziervaartuig vaart er echter niet. Bij het binnenrijden van Saint-Mihiel zie ik het oude marktgebouw dat ik vorig jaar over het hoofd heb gezien. Aan een bejaarde vrouw, die net de luiken van haar huis opendoet, vraag ik sinds wanneer de markt is opgehouden te bestaan, omdat het gebouw er zo uitziet. Verkeerde vraag. Gespeeld verontwaardigd vertelt ze me dat er nog iedere zaterdag markt is en dat de Marché uit 1902 dateert. Voor de zekerheid zegt ze erbij dat dat jaartal in de gevel aan de andere kant staat. Geen Markthal uitstraling, maar een functioneel industrieel gebouw met aardige details: het patroon in de muren dankzij het gebruik van rode en gele bakstenen, de kleurige porseleinen guirlandes van groenten en fruit die hoog in de gevel de hoeken sieren, het fraaie gietijzerwerk dat het “skelet” van het bouwwerk is. Jammer dat het vandaag geen zaterdag is. Aan de buitenkant van de stad – nog 131 kilometer naar de bron – steekt de weg de Maas over. De rivier stroomt nu aan de linkerkant, het landschap verandert nauwelijks.

wordt vervolgd