|
ROUTE LE CORBUSIER – 20 (15112014) Dag 8 – Marseille – Hotel le Corbusier/ Éveux – Couvent Sainte-Marie de la Tourette. Onze namen staan op de deur, cel 62 voor mijn gezelschapsdame, cel 60 voor mij. We mogen vannacht wel naast elkaar slapen, maar niet in hetzelfde bed. Een celibataire ervaring of je het wilt of niet. Beide cellen zijn lang en smal – 592cm lang, 183cm breed en 226 cm hoog conform de Modulor – en zien er identiek uit: keurig. Hier en daar kleurig, doch zeer sober. Een vurenhouten werktafel met stoel en zwarte bureaulamp, een vurenhouten kast om aan de ene kant wat kleren in op te hangen en aan de andere boeken in te leggen. Een wastafel met spiegel, een eenpersoonsbed geschikt voor niet al te lange en/of dikke mensen. De kale muren en het plafond hebben een ruwe afwerking met veel grote kiezelstenen erin, de vloer is groen. Een klein balkon met uitzicht op een veld met rollen net gemaaid gras en het bos, de loeiende koeien zijn onzichtbaar. De deur is lichter groen dan de vloer, de sponningen zijn geel, geen vitrage, een rood gordijn. Naast het raam en de “voordeur” smalle panelen van plafond tot aan de vloer die kunnen worden geopend voor de ventilatie, de ene rood, de andere geel. Aan de binnenkant van de toegangsdeur een welkomstgroet en de overigens “lichte” huisregels die zich beperken tot niet eten, niet roken of alcohol drinken of zich met meerderen in een cel ophouden. De cellen waren ooit bedoeld om de verwachte 100 aspirant Dominicanen tijdens hun zevenjarige opleiding te huisvesten, toen het gebouw klaar was, was dat “bedrijfsplan” door de veranderende tijd inmiddels obsoleet geworden. Zonder het verzet van de kloosterlingen die er nog woonden én het feit dat het een ontwerp van Le Corbusier was, werd het gebouw niet gesloopt of onbewoonbaar door hert ontbreken van geld voor het onderhoud. Tijd voor de vespers. Ik wil er uit nieuwsgierigheid naartoe, om een belangrijk onderdeel van het dagelijks kloosterleven mee te maken, om te zien hoe die kleine gemeenschap het geloof beleeft en belijdt, om de sfeer in de hoge langwerpige betonnen ruimte te proeven. De kerkbanken staan parallel aan de lange muren, de kloosterlingen zijn eindelijk herkenbaar: het zijn de mannen in de witte pijen. Ik, Calvinistisch grootgebracht, ben een vreemde eend in de bijt. Vrijwel iedereen die binnenkomt pakt twee boeken - of zijn het bundels? - van de stapels die er liggen. Een bijbel en een zangboek? De jongere man die ik eerder in korte broek en poloshirt heb zien rondlopen, komt zijn pij aantrekkend binnen. Hij pakt twee boeken en vraagt mij of ik die ook wil. Als ik nee schud, vraagt hij met een lach op zijn gezicht of ik ze soms uit mijn hoofd ken. Nogmaals nee. Daarna wordt serieus het geloof beleden door hen die geloven. De kathedrale ruimte heeft dezelfde rij lange ramen als de kerk in Firminy, maar heeft bovendien een iets opgetild dak waardoor er zowel laag als heel hoog het avondlicht naar binnen valt. Het lezen van de voorganger, het a capella zingen van de over het algemeen bejaarde Dominicanen en de weinige gelovigen heeft iets ontroerends, iets dat verwijst naar een tijdperk dat al vele decennia voorbij is. wordt vervolgd |