|
ZOMERBORSTEN (07122014) Mijn leesuurtjes op zaterdag en zondag op het balkon aan de kant van de Avenida Belgrano hebben als voordeel dat het doordeweekse verkeerslawaai ontbreekt. Veel minder stadsbussen, geen woon-werkverkeer en geen gillende sirenes van ambulances of brandweerauto's, de brandweerkazerne ligt 500 meter verderop. 't Is net alsof er in het weekeinde geen ongelukken gebeuren of branden zijn. Ik ben “Tante Julia en meneer de schrijver” van de Peruaanse schrijver Mario Vargas Llosa, winnaar van de Nobelprijs voor Literatuur in 2010, aan het lezen. Een onderhoudend en af en toe verwarrend verhaal uit 1977, de Engelstalige versie waar ik van geniet heeft maar liefst 410 pagina's! Van veel van die pagina's druipt een anti-Argentijns sentiment af waarom ik als niet Argentijns inwoner van het land regelmatig moet lachen. Zo neerbuigend als Vargos Llosa over Argentijnen schrijft, praten en schrijven de Argentijnen over de inwoners van hun buurlanden. Levendig herinner ik me de reactie van mijn Braziliaanse medewerkers toen ik tijdens de koffiepauze liet weten dat ik was overgeplaatst naar Buenos Aires. Een paar dames begonnen tot mijn verrassing te huilen en zeiden dat ik dat echt niet verdiend had, het leek wel of ik tot een stafkamp was veroordeeld terwijl het mijn eigen keuze was. Het alternatief was Hamburg. Duitsland! Dat land zag ik beslist niet zitten, hoewel de professionele uitdaging zeker niet minder was. Maar goed, Brazilianen beschouwden Argentijnen destijds als de ergste klootzakken op aarde, vooral door de hufterige manier waarop ze zich tijdens hun vakanties in het zuiden van het land gedroegen. Dat was wel in de jaren dat de Argentijnse Peso nog een Amerikaanse Dollar waard was. Het herinnerde mij vooral aan de brallend vakantie vierende Duitsers die zich dankzij het naoorlogse Wirtschaftswunder en de ijzersterke DMark luidruchtig manifesteerden in de Zuid-Europese vakantiebestemmingen. Met de stellige indruk dat de Argentijnen “de Moffen van Zuid-Amerika” waren, verhuisden we naar Buenos Aires. Een gevoel dat nog eens werd versterkt door onze buren van het vaderlandse pied-à-terre, een Joods echtpaar dat dankzij de onderduik de Tweede Wereldoorlog had overleefd. “Oh, gaan jullie naar Buenos Aires en niet naar Hamburg? Niets aan de hand hoor, dat is de beste plek ter wereld om goed Duits te leren spreken”..... Mijn zondagse rust wordt verstoord door een gillende en schreeuwende vrouw. Vanaf mijn balkon zie ik een politieauto een man de pas afsnijden. Hij valt op het wegdek en wordt aangehouden, binnen een paar minuten arriveren nog drie politieauto's. Tegen het einde van de siësta slaapt de serieuze misdaad kennelijk nog. De gillende vrouw is een jonge toeriste – teenslippers, zwarte korte broek, lichtgroen topje, rood verbrand – ze is zichtbaar ontdaan, ze huilt. Uit de gebarentaal maak ik op dat ze is gerold of van tas of rugzak is beroofd. Als ze een paar keer op haar rug wijst en ik even later de vlekken op haar topje zie, is het mij duidelijk: slachtoffer van de mosterdtruc. Ouderwets ambachtelijk jatwerk in teamverband, waarbij de ene dief en passant mosterd uit een flacon op de rug van iemand spuit en de medeplichtige vervolgens behulpzaam “de vogelpoep” helpt afvegen en tegelijkertijd vingervlug rolt wat er binnen bereik is. Zo werd ik tijdens mijn eerste winter in Buenos Aires bespoten, eveneens op een stille zondagnamiddag. Het leren jack wat ik toen aan had, toont nog steeds de sporen van het bijtende spul dat op mijn rug terecht kwam. “Señor, señor!”, riepen de man en de vrouw die achter mij aankwamen op een dusdanig dwingende toon, dat ik doorhad wat er aan de hand was. Aan de overkant van de brede straat zag ik een agent staan en liep met snelle pas zijn kant op. Dat was genoeg om met rust te worden gelaten. In de krant staan vrijwel dagelijks berichten over “motochorros”, bromfietsdieven waarvan de bijrijder tasjes jat, altijd van achter naar voren werkend zodat je ze niet ziet aankomen. Dankzij Argentinië is de Spaanse taal met dit woord verrijkt. Brutale dieven rukken gewoon de smartphone uit je handen in de ondergrondse, zoals een goede kennis overkwam, of terwijl je bellend over de Plaza de Mayo loopt, zoals een vriend overkwam. Om het maar niet te hebben over de toeriste die in een café zat te werken toen iemand binnenkwam, haar laptop inpikte en er ongehinderd vandoor ging. Je moet altijd op je qui vive zijn in deze stad. Met de zomer en de zomervakantie in aantocht, wordt in de kranten en tijdschriften van Buenos Aires volop aandacht besteed aan het “bikinilijf”. Oftewel wat moet je als vrouw doen om op het strand met goed fatsoen je lichaam te kunnen tonen? Het laatste snufje van de schoonheidssalons is de ozontherapie, die wordt beschreven als liposuctie zonder chirurgie. “Een krachtig instrument waarmee je je lichaam op een veilige manier duurzaam de gewenste vorm kunt geven”. Zo duurzaam zelfs, dat deze week iemand tijdens de behandeling na een hartstilstand overleed. Een betere oplossing is het nog niet beschikbare product dat de voorpagina's haalde: de zomerborsten. Door het injecteren van een zoutoplossing schijnen vrouwen gedurende 24 uur steviger borsten te hebben, nu nog de injectie die dat voor alle vakantieweken regelt. Er wordt aan gewerkt! Die vakantieborsten en de ozontherapiedode waren groter nieuws dan de op wielen gemonteerde plastic tuinstoel die als rolstoel in gebruik is bij een groot openbaar ziekenhuis. Een creatieve noodoplossing omdat er geen geld was voor een echte rolstoel. Bijna het ongevraagde bewijs waarom Mario Vargas Llosa in zijn boek de Argentijnen soms terecht zo afzeikt. |