ROUTE LE CORBUSIER - 8 (08092014)

Dag 4 – La Chaux-de-Fonds – Maison Blanche – Maison Turque.
Na het bezoek aan de kapel en het klooster van de rijke armoedzaaiers in Ronchamp, dronken we beneden in het dorp nog wat alvorens vast een stuk in de richting van La Chaux-de-Fonds te gaan rijden. Het Zwitserse stadje waar Charles-Édouard Jeanneret-Gris op 6 oktober 1887 werd geboren, is ons reisdoel voor morgen. We raadpleegden de wegenkaart van mijn gezelschapsdame die al doende herinneringen begon op te halen aan een eerder bezoek aan deze streek. Lang geleden op de fiets, samen met een jeugdliefde. Op gedetailleerde regionale Michelinkaarten hielden ze bij welke route ze hadden gereden en waar ze gekampeerd hadden, die kaart heeft ze bij zich. Wie de kaarten mocht hebben toen de liefde voorbij was, was het enige waar ze ruzie over hadden gemaakt. Zegt zij. Als we een paar uur later Saint Hippolyte naderen, is aan het kruisje op de kaart te zien dat ze hier destijds hebben gekampeerd. Wat haar betreft, wordt het bijna een sentimental journey. Deze keer geen tentje, geen fietsen, geen kruisje op de kaart, maar een auto en een goed hotelbed. Het centraal gelegen Hotel Les Terrasses is “complet”, maar men biedt aan naar een verderop gelegen hotel te bellen zodat we niet tevergeefs hoeven te om rijden. Op dit soort vriendelijke en onbaatzuchtige dienstverlening had ik niet gerekend. “Maar”, zo zegt de eigenaresse, “misschien komen jullie hier nog wel eens en kom je dan wel bij ons logeren.” Bij de collega's van Hotel Le Bellevue is er nog een kamer vrij en zijn we van harte welkom, ook voor het diner op het terras boven het snelstromende water van de rivier de Doubs. En dankzij de grote Harley-Davisdon sticker naast de voordeur logeren er bovendien aardig wat motorrijders, die zich overigens keurig gedragen. Net gewone gasten.

Onbewust hebben we vlakbij de Frans-Zwitserse grens overnacht. Als ik bij het afrekenen de weg naar La Chaux-de-Fonds vraag, blijkt het niet fout te kunnen gaan: deur uit, rechtsaf en dan de weg tot het einde volgen. 'C'est tout. 't Is maar iets meer dan 20 kilometer over de hier dicht beboste heuvels van de Jura. De gesloten douanepost bij Blaufond geeft aan dat we Zwitserland binnengaan, de taal blijft hetzelfde, het landschap blijft hetzelfde, ons reisdoel ligt aan de andere kant van de heuvel. In het propere stadje, waar de welvaart vanaf druipt, heerst de rust van de zaterdagmorgen. Snel langs de VVV om de kortste weg naar la Maison Blanche – het huis dat Le Corbusier in 1912 voor zijn ouders ontwierp en bouwde – te vragen. De hoek om en de heuvel op, zo eenvoudig kan het vinden van de weg zijn in een stadje waar we nog nooit zijn geweest. Het huis is uiteraard wit en ligt tegen een helling hoog boven de stad, veel trappen en terrassen dus. Een in de zon stralende vierkante villa van drie etages plus een zolderverdieping, helemaal geen onmiddellijk herkenbaar Corbusier-ontwerp en in mijn eigentijdse ogen niets uitzonderlijks eigenlijk. Maar of je het wilt of niet, je kijkt er vanaf de straat, le Chemin de Pouillerel, wel tegenop.

Langs die Chemin de Pouillerel – een smalle meanderende weg – zijn de eerste ontwerpen te zien van de jonge Jeanneret-Gris en medeleerlingen aan de kort daarvoor opgerichte hogere opleiding van de Ecole d'Art van La Chaux-de-Fonds: de Villa Fallet uit 1906 en uit 1908 de Villa Jaquemet en de Villa Stotzer. Die villa's zijn architectonische vingeroefeningen geïnspireerd door de typische boerenhoeves van de Jura, de natuur in de regio en de Art Nouveau. De combinatie van die elementen staat lokaal bekend als de “Style Sapin”, een verwijzing naar de “sapin” de hier overdadig aanwezige zilverspar. De gedecoreerde gevels en overhangende daken verwijzen naar de boerenhoeves, veel ramen zijn puur Art Nouveau, verder vooral grote tuinen. Aan het begin van de vorige eeuw moet dit voor de goed bij kas zittende opdrachtgevers de belichaming van “moderne architectuur” zijn geweest. De Villa Jeanneret-Peret uit 1912 – de villa's die hier staan werden dus naar de eigenaren vernoemd – thans beter bekend als La Maison Blanche, was het eerste project van Le Corbusier als zelfstandig architect. Het huis lijkt in de verste verte niet op de eerder genoemde villa's en laat duidelijk zien dat hij inmiddels afscheid had genomen van de op de Ecole 'd Art gepropageerde stijl. Geen Art Nouveau meer, geen regionale elementen, maar een strak functioneel woonhuis waarin Le Corbusier zelf een aantal jaren zou wonen en werken. De deurknop van de voordeur is een metalen salamander, een speels element om de strakke soberheid enigszins te doorbreken? Datzelfde zou overigens kunnen gelden voor het fleurige bloemetjesbehang in de salon, de in de mantel van de open haard verwerkte groene keramiek elementen en de blauwe en grijze tegels op de keukenvloer en de eerste verdieping. Maar de vraag die al kijkend en rondneuzend in mijn hoofd blijft doorzeuren is: zie je hier nu ook in soort prenatale staat de kapel die we gisteren bezochten of de Cité Radieuse van eergisteren? Als het meezit komt het antwoord de komende dagen vanzelf. Of niet........

wordt vervolgd