|
ROUTE LE CORBUSIER (26072014) Wat vooraf gebeurde Le Corbusier was nooit echt mijn favoriete architect, dat rechtlijnige Zwitsers protestantse gedoe deed me niet zo veel. Wat mij betreft waren de naar het sensuele neigende Braziliaanse rondingen in de ontwerpen van Oscar Niemeyer stukken interessanter. Niemeyer verklaarde die voorkeur als volgt: “Een rechte hoek trekt me niet aan, noch de rechte lijn, die hard is en niet flexibel en die door de mens is uitgevonden. Wat mij aantrekt in de vrije golvende beweging is de sensualiteit. Het is de curve die ik iedere keer weer tegenkom in de bergen van mijn land, in de kronkelende loop van de rivieren, in de wolken aan de hemel, in het lichaam van een vrouw die weet dat ze wordt aanbeden”. Die toelichting las ik in juni 2004 tijdens een bezoek aan Casa das Canoas, het door hem voor zijn gezin ontworpen huis, daar hing deze tekst ingelijst aan de wand van de voormalige keuken. Mijn voorkeur voor Niemeyer's benadering van de architectuur werd – hoewel zonder enige noodzaak daartoe – nog eens bevestigd toen ik jaren geleden tijdens een filmfestival in Buenos Aires de documentaire “A vida é um sopro – Het leven is als een zucht“ zag, daarin werden het leven en de carrière van Niemeyer in beeld gebracht. Er is in te zien hoe de net afgestudeerde Oscar in 1936 door de architect Luis Costa wordt toegevoegd aan het team dat in Rio de Janeiro bezig is met het ontwerp voor het nieuwe Ministerie van Onderwijs en Volksgezondheid. Costa was niet tevreden met de toch weer traditioneel uitgevallen schetsontwerpen en nodigde Le Corbusier uit om te komen sparren. Le Corbusier was maar een paar weken in Rio, maar aan het eind van zijn verblijf lag er een voor Brazilië revolutionair ontwerp op tafel. Dat had overduidelijk zijn signatuur had: een strak rechthoekig gebouw, een open ruimte op de begane grond die werd gecreëerd door een op palen steunende verdieping, veel licht, een daktuin, brise-soleils in de gevels. Maar natuurlijk ook met zeer Braziliaanse details zoals het mooie tegeltableau naast de hoofdingang. Wat Niemeyer achteraf stoorde, was dat de mogelijkheden die gewapend beton – hoofdbestanddeel van het nieuwe gebouw – biedt om van de hoekige lijnen af te wijken niet waren benut. Zeer terecht, maar hij kwam pas kijken, Luis Costa en Le Corbusier waren gevestigde namen. Na het einde van de Tweede Wereldoorlog werkten Le Corbusier en Niemeyer nogmaals min of meer samen tijdens de ontwerpfase van het hoofdkwartier van de Verenigde Naties in New York. Hoewel het ontwerp van Niemeyer de voorkeur had en wat is gebouwd ook het dichtst bij zijn ontwerp ligt, is het formeel een fusie van de ontwerpen van de beide iconen van de 20ste eeuwse architectuur. In dezelfde documentaire laat Niemeyer de minimale wijzigingen zien die hij op verzoek van Le Corbusier aanbracht en dat het daarna opeens “hun” project was. Aldus werd de relaxte jonge Braziliaan ingepakt door de arrogante in Zwitserland geboren Fransman. Jatwerk! Foei! Om een wit voetje te halen bij een aardige architecte én Corbusier bewonderaar was ik bereid om te proberen diens werk eens met andere ogen te bekijken, die van haar. Dat deden we allereerst begin september 2007 op de voorlaatste dag van de Le Corbusier overzichtstentoonstelling in het Nederlands Architectuur Instituut. Ondanks de naam van het Instituut – dat door museumfusies nu het Nieuwe Instituut heet – werden daar meerdere facetten van zijn oeuvre belicht: de schilder, de beeldhouwer, de meubelontwerper, de fotograaf én de man die had nagedacht over zijn vak en al doende de “Modulor” had ontwikkeld. Het proportionele maatsysteem gebaseerd op een man met een lengte van van 1.83m, dat Le Corbusier zou gaan toepassen in een aantal van zijn ontwerpen. Er was veel te zien en gelijkertijd erg weinig, omdat het veel te druk was. Vlak bij de uitgang hingen een paar foto's, meer niet, van de door Le Corbusier ontworpen Chapelle Notre Dame du Haut in Ronchamp, ergens in de buurt van Besançon. 's Avonds bekende ze mij al jaren de stille wens te koesteren om die kerk te bezoeken, niet zo gemakkelijk vanuit Buenos Aires. Wie echter een wit voetje wil halen, moet daar wat voor doen. Omdat we toch naar Parijs zouden gaan, werd spontaan besloten om daar dan maar een bezoek aan Ronchamp aan vast te knopen. Met de net ingewijde TGV Est naar Nancy en verder met de auto. De op een heuveltop gebouwde kapel steekt boven alles uit en lijkt in de verste verte niet op die strakke flatgebouwen van Le Corbusier. Rondingen à la Niemeyer kreeg ik er te zien, maar niet genoeg om ter plekke in een Corbu bewonderaar te veranderen. Wat niet hielp was dat we in Parijs in de buurt van het door Niemeyer ontworpen hoofdkwartier van de Franse communistische partij logeerden en daar een paar keer per dag langsliepen. Dankzij een expositie van de schilder Pierre Amiel konden we de benedenverdieping van het gebouw uitgebreid bewonderen. Ik enthousiast, zij kritisch. Aan het eind van de rit ging zij terug naar Buenos Aires met haar voorkeur voor Le Corbusier bevestigd en ik reisde voor een nieuwe opdracht door naar Kaapstad met mijn voorkeur voor Oscar Niemeyer geheel intact. wordt vervolgd |