OP ONTDEKKINGSREIS IN ROTTERDAM – 10 – DE BURCHT VAN BRINKMAN (18092014)
In Spangen staat niet alleen een kasteel – zoals het stadion van de voetbalclub Sparta heet – er staat bovendien een burcht, het Justuskwartier, de burcht van architect Michiel Brinkman aan de Justus van Effenstraat. Aan het begin van de jaren 20 van de vorige eeuw gebouwd in de uiterste westhoek van Rotterdam, thans vrijwel onbereikbaar ingesloten door Metro- en spoorlijnen en smalle straten met ontmoedigend eenrichtingverkeer. Ergo: je moet er echt naartoe willen. Zoals steeds wacht de beloning aan de eindstreep: een in oude glorie hersteld bijzonder wooncomplex, een besloten wijk in de wijk. Toentertijd een revolutionaire oplossing om de woningnood te bestrijden, de tijd ver vooruit. De buitenkant oogt, zoals het hoort, stoer en gesloten, 't is immers op de binnenplaats waar het leven van een burcht zich afspeelt? Hoewel dat in de praktijk nogal meevalt, zelfs op de dag dat de stevige poorten, die normaliter onbevoegden buiten houden, gastvrij open staan. Of misschien juist daardoor. Spangen is van oudsher een arbeidersbuurt, waar ik in mijn jongere jaren eerst op de fiets, toen met de bromfiets en naderhand – toen de naoorlogse welvaart uiteindelijk op gang kwam – met de auto langs reed onderweg naar diverse vroege werkgevers in de Spaanse polder. Naderhand verpauperde de wijk én het wooncomplex zwaar door huisjesmelkers, immigratie en drugs.
Wie, zoals ik, andere ontwerpen van Michiel Brinkman in Rotterdam kent, wrijft zich even in de ogen bij het zien van het Justus van Effencomplex, omdat het behoorlijk afwijkt van hetgeen hij tot dan toe had ontworpen of mede-ontworpen. Op mijn netvlies staan tot op de dag van vandaag de Crooswijkse Koninginnekerk en de Nieuwe Kerk aan de 's-Gravendijkwal. Beide uit de tijd dat Brinkman bij het bureau van de architect Hooijkaas Jr. werkte, beide geruime tijd geleden gesloopt om plaats te maken voor gebouwen die qua lelijkheid weinig voor elkaar onderdoen. De stoere industriële ontwerpen aan de Maashaven – de Stoommeelfabriek de Maas (thans Meneba) en de Stoomrijstpellerij C.M. van Sillevoldt (thans Quaker Oats) staan er nog, maar zijn van eigenaar veranderd en aan de eisen van de tijd aangepast. Beide complexen zijn naar het water en naar de stad gericht, waardoor ze er aan de straatkant saai functioneel uitzien. Slechts het karakteristieke torentje van de meelfabriek steekt hoog genoeg boven het gebouw uit als herkenbaar element van de tekentafel, de vaag rode stenen fabrieksschoorsteen van de rijstpellerij steekt scherp af tegen het grijze beton van de naastgelegen Maassilo. Tussen deze beide bedrijven lagen de silo's van de Graan Elevator Maatschappij, voor wie Brinkman het aan de statige Parklaan gelegen “Elevatorhuis” ontwierp. Hoog in de voorgevel van dit kloeke kantoorpand geeft het door Bernhard Richters ontworpen reliëf nadrukkelijk weer, hoe het bedrijf haar geld verdiende: met stoomelevatoren die het graan uit de scheepsruimen opzogen en de lastige zakkendragers overbodig maakten. Richters heeft de elevatoren met nummer 12 en 9 afgebeeld, twee van de drijvende “graanzuigers” waarmee de nu vrijwel lege Maashaven vroeger vol lag. In de Leuvehaven ligt gelukkig de in Antwerpen gevonden nummer 19 afgemeerd, als herinnering aan de tijd van toen.
Contrast: het Clubgebouw van de Roei- en Zeilvereniging “De Maas” aan de Veerhaven, midden in het historische Scheepvaartkwartier, waar rijkdom en veel geld verdienen de norm was en het Justus van Effenkwartier, waar arbeiders werden gehuisvest die naar Rotterdam migreerden om in haven en industrie te gaan werken. Geschoolde arbeiders welteverstaan, aan ongeschoolde arbeiders werd er niet verhuurd of die konden het gewoonweg niet betalen omdat de huren relatief hoog waren. Als tegenprestatie kregen de huurders tot dan toe ongekende faciliteiten, zoals centrale verwarming, warm water en een in het hart van het complex gelegen bad- en washuis. De woningen waren licht, gestapeld en hadden een eigen voordeur, uitzonderlijk in de tijd dat voor-tussen-achter en twee of drie-op-een trap de norm waren voor arbeiderswoningen. Én het zijn de eerste galerijwoningen van Nederland. Zou Le Corbusier, die de gangen in zijn Unité d'Habitation “straten” noemde, zich door Michiel Brinkman hebben laten inspireren? Een twee meter brede galerij en een goederenlift zorgden ervoor dat de bakker en de melkboer met hun kar gewoon bij iedere voordeur konden komen om daar hun waar te slijten. Maar toch.... Ondanks de poortjes, het groen en de doorkijkjes vind ik het een naar binnen gekeerd complex dat ietwat steriel aandoet. Daar veranderen de hier en daar sierlijke patronen in het metselwerk uit de tijd dat de arbeidskosten laag waren, het gebruik van gele ?sselsteentjes, groene voordeuren – om destijds de arbeiders die uit Brabant en de Zeeuwse en Zuid-Hollandse eilanden kwamen een “thuisgevoel” te geven – en soms verrassende raampartijen verder niets aan. Er is zo weinig leven, geen straatgewoel, geen verkeer, 't is eigenlijk een wat vreemde oase in de uithoek van een wijk met een beladen naam. Vandaar misschien dat er opvallend veel woningen nog niet zijn verkocht of verhuurd, uiteindelijk wil niet alleen het oog ook wat.