NOOIT VERDWALEN (11092014)

Ons vaste logeeradres in de Maasvallei heeft zowaar geen kamer meer beschikbaar. Dat is ons nog niet eerder overkomen, we konden er altijd op korte termijn terecht. Deze keer dus niet. Het aangedragen alternatief in deze dun bevolkte rurale regio herinnert ons te veel aan een Braziliaans motel om aantrekkelijk te kunnen zijn. Zo'n motel biedt net als de Argentijnse Telo aan geliefden of verliefden een gelegenheid om ongestoord het bed met elkaar te delen. Het is eveneens een ankerplaats voor hen die vreemd willen gaan, kortweg: een wiphotel. Dus als een klein Frans hotel aan de rand van een dorp ligt, in grote haast gebouwd lijkt te zijn, er onooglijk uitziet en bij het parkeerterrein een rood bord heeft staan met “relais Fasthôtel” erop, dan trekken mijn gezelschapsdame en ik – terecht of onterecht – gelijk de conclusie dat als we daar gaan overnachten, we vrijwel zeker omringd zullen worden door vreemdgaande Fransen. Niet dat we preuts zijn of daar iets op tegen hebben, we zoeken het liever ook niet op. Op aanraden van iemand die daar al eerder was, belanden we uiteindelijk in Marville. Tja, in wat eigenlijk? Een dorp wat mij betreft, maar voor anderen een mooi Renaissance stadje met aardig wat gebouwen waar de tand des tijds niet al te zeer vat op lijkt te hebben. Met maar net 500 inwoners ben je ondanks stadse pretenties echt een dorp.

In de Ville Haute – de bovenstad – van Montmédy, in de schaduw van de citadel die de stad en de streek overheerst, bekijken we bij een “lavoir public”. Een reeds lang niet meer in gebruik zijnd washuisje met op de voorgevel het jaartal MDCCCLIII – 1853. “C'est pas très propre”, waarschuwt degene aan wie ik de weg vraag. Hij weet echter niet dat er in verband met de herdenking van het begin van “la Grande Guerre” honderd jaar geleden het tijdelijk kunstwerk “Cent Dates” hangt. Voor mij zijn het twee vliegen in één klap: een kunstwerk en een lavoir. Ik heb iets met die kleine overdekte wasplaatsen. Bijna ieder dorp in de regio – en waarschijnlijk ook in de rest van Frankrijk – heeft er wel een als gevolg van wetgeving uit 1851 die werd ingevoerd na herhaalde cholera-, tyfus- en pokkenepidemieën. Er is vrijwel altijd een bassin, vaak met een rand van grijze natuursteen, waar water doorheen stroomt, water van een beek, een stroompje of een bron. Niet dat de was er werd gedaan, zo lees ik, de was werd er uitgespoeld en daarna te drogen gelegd. Wasplaatsen zijn er in vele soorten en maten, het moeten zeer levendige ontmoetingsplaatsen zijn geweest waar dagelijks de dorpsroddels werden uitgewisseld. Die sociale functie is voorgoed verdwenen, ze liggen er al jaren verlaten en soms verwaarloosd bij, door leidingwater en wasmachines overbodig geworden. Het kunstwerk in het lavoir stelt niet al te veel voor, de “100 datums “ staan op 100 foto's die de Duitse kunstenaar René Borgmann heeft gemaakt van bovendorpels met daarin het bouwjaar van het huis.

Terwijl de wasplaats van Montmédy hoog boven de stad in het niemandsland tussen de citadel en de woonwijken ligt en daardoor een prachtig uitzicht over de Maasvallei biedt, staat het lavoir van Halles sous-les-Côtes midden in het dorp. Met de kerk aan de ene kant en het monument voor de gevallenen in beide wereldoorlogen aan de andere. Het lijkt qua architectuur eerder op de oude vismarkt in een middeleeuws stadje, dan op een wasplaats. 't Is een flink transparant bouwsel dat zelfs twee bassins heeft op het water waarvan een “installation artistique” – het Franse equivalent van “installatie” – van de Nederlandse kunstenares Imke Beek drijft. “Sound of Silence” heet het, maar het lijkt sprekend op haar Rozenproject uit 2002. Is er hier soms sprake van een gerecycled kunstwerk dat voor de gelegenheid een nieuwe naam heeft gekregen? Het werk bestaat uit aan elkaar gekoppelde rode plastic ringen waarop hier en daar met op gaas lijkend materiaal een roos wordt gesuggereerd. Nogal verlepte rozen. De kunstenares had toch kunnen weten dat hergebruik van bloemen na twaalf jaar een vrijwel onmogelijke opgave is? Het dorp zelf ziet er stukken beter uit, veel van de huizen zijn mooi gerestaureerd én er is nog iets: een tweede wasplaats. Stukken kleiner en eenvoudiger, misschien wel bedoeld voor de krapper bij kas zittende dorpsgenoten van destijds. Wie weet?

Ons was afgeraden om in de Auberge van Marville te eten – ingevroren en daarna met de magnetron opgewarmd – en een kamer te nemen in de een straat verder gelegen nieuwe dependance. Zo gezegd, zo gedaan. We hebben het hele gebouw voor ons zelf – minstens 20 kamers – en dat is maar goed ook. Er is iets mis met de airconditioning die zonder ophouden een ingebouwd alarm laat afgaan, de eigenaresse was vergeten te zeggen om het ding vooral niet aan te zetten. Kleine kamers, weinig comfort, tot en met een lampje boven de werktafel ontbreekt. We missen onze vaste stek en zijn blij de volgende ochtend weer te kunnen vertrekken. We nemen een verkeerde afslag en gaan op het gevoel verder. Net als we om willen keren, rijden we een verwaarloosde landingsbaan op en zeggen bijna tegelijk “een zwerver kan nooit verdwalen”. Aldus ontdekken we een relikwie uit de koude oorlog, de verlaten Canadese vliegbasis “Station Marville”. Zodoende bewijzen we dat deze stelling, die recent door David van Reybrouck in “Zomergasten” werd verkondigd, helemaal klopt.