BARSTENS MOOI (02082014)

Het hotel dat meer sterren heeft dan het verdient, is gevestigd in een oud kasteel dat is gelegen op een landgoed dat vrijwel op de grens met Duitsland ligt. Mooi gerestaureerde gebouwen, waarvan er één lang geleden een “tiendhuis” was. Daarin was destijds de lokale belastingdienst gevestigd, toen 10% van de oogst als zodanig moest worden ingeleverd. Zoiets als de “tiende penning” van de Hertog van Alva, de landvoogd tijdens de Spaanse overheersing van de Nederlanden en de 10% van het inkomen dat veel moderne kerken als bijdrage van hun leden verwachten. In het voormalige tiendhuis is nu een klein museum gevestigd, een keramiekmuseum. “Barstens Mooi” is de intrigerende naam van de lopende expositie. Naast de sinds mijn vertrek uit Lagos stationaire verzameling Nigeriaanse handgemaakte potten, ben ik kort geleden dichter bij huis begonnen met het verzamelen van ouderwetse puddingvormen en Keulse potten, omdat ze voor mijn gevoel verre familie van elkaar zijn. Die barstens mooie keramiek in het museum betreft echter met behulp van de traditionele Japanse raku-techniek gemaakte kleurrijke kunstwerken van Europese keramisten. Kunstwerken met de karakteristieke craquelé en zwarte strepen die ontstaan door het nog gloeiend hete werk uit de oven te halen en daarna snel af te laten koelen in de open lucht én in een bak met zaagsel. Et voilà: door de hitte ontbrandt het zaagsel, de rook van het fikkie trekt in de barsten van het het glazuur en aldus ontstaan de grijze en zwarte strepen en streepjes in het afkoelende aardewerk.

Eerlijk gezegd hoopte ik in het Tiendhuis het nodige over de historie van Tegelen te zien en te leren, maar dat valt wat tegen. Uiteindelijk was er in deze omgeving al in de Romeinse tijd sprake van pottenbakkerijen en de fabricage van “Tegulea”, platte dakpannen die zowel voor dakbedekking als voor bestrating werden gebruikt en waaraan de naam van de stad ontleend zou zijn. Dakpannen werden er trouwens tot ver in de 20ste eeuw geproduceerd én de Keulse potten die in een achteraf hoekje staan. Saai huishoudelijk aardewerk voor de keuken, bij lange na niet zo glamoureus als de mislukte poging van Bernard Canoy om porselein te maken bijvoorbeeld. Iets dat wel prominent in een vitrine staat. Keulse potten, die dankzij het zoutglazuur waterdicht zijn en een zekere glans hebben, waren wat mij betreft tot voor niet al te lang geleden grijze potten met een blauwe decoratie, maar in het museum staan er slechts niet gedecoreerde bruine exemplaren. Trouwens, ik heb nog nooit een bruine Keulse pot met “versiering”, maar wel exemplaren met een deksel. En dat heb ik tot nu toe weer niet bij de gedecoreerde grijze potten gezien. Er is nog een hoop te ontdekken, zo blijkt eens te meer. Iets wat terecht wel een zeer prominente plaats heeft gekregen is de bijzondere tegelkachel van lokale keramist Jac Bongaerts (1952 – 1997). De tegelkachel of kacheloven is een installatie die zelfs een heel huis zouden kunnen verwarmen, maar wat mij betreft hoeft dat niet eens. De 260 centimeter hoge kachel in het museum bestaat uit ringen van tegels die een verhaal vertellen waarnaar ik voor de rest van mijn leven naar zou kunnen kijken. Een Bijbels verhaal, dat wel. Iedere tegel verbeeldt een ander fragment uit het Oude- of het Nieuwe Testament. Goed Bijbels geschoold als ik ben. herken ik diverse scenes: de ark van Noach, de geboorte van Jezus, Kaïn en Abel, de Toren van Babel, Adam en Eva in het Paradijs, de aanbidding van het Gouden Kalf......... Heel speciaal!!!

Een dag later, onderweg naar de Randstad, een tussenstop in Tilburg. De Pont en het Textielmuseum. Beide gevestigd in gesloten textielfabrieken, de ene was een wolspinnerij, de andere een wollensstoffenfabriek. Het complex van De Pont is door BenthemCrouwel passend geprepareerd voor de nieuwe rol, veel respectvoller dan de lelijke badkuip die aan het Stedelijk Museum in Amsterdam werd geplakt en het bestaande gebouw onnodig verziekte. In mijn ogen tenminste. Een grote oranje collage van keramiek van Guido Geelen uit Thorn – zou hij zijn klei uit de putten bij Tegelen hebben betrokken? – trekt als een magneet. Het ziet eruit als licht gesperst en daardoor nog zeer herkenbaar grof vuil: een televisietoestel hier, een gitaar daar, een toetsenbord, een stofzuiger. Daarna vergis ik me behoorlijk in de grote stapel borden van de Amerikaan Robert Therrien die niet van keramiek zijn, doch van plastic en metaal. Om daarna te genieten van de vele werken van Marlene Dumas, een donkere kamer met werk van lichtkunstenaar James Turrell – voor wie op het wijngoed Colomé in het noordoosten van Argentinië een speciaal museum is gebouwd – en van schilderijen van Georg Baselitz. In het Textielmuseum een onverwachte parallel met de vlinder- en kevercollectie van het Missiemuseum van Steyl, waar ik 24 uur geleden nog was. Dankzij “Happy Bug Day”, een ontwerp dat Andy Warhol in de jaren 50 maakte. Een met gestileerde vlinders en kevers bedrukte stof. Vlinders en kevers die daarna in de vorm van jurken, blouses en rokken jonge vrouwen er modern uit zouden laten zien. Tja, ik zou er liever over zwijgen maar het is niet anders: vrijwel hetzelfde ontwerp is in de museumwinkel te koop op theedoeken met een randje Brabants bont er omheen! Meer dan een stille hint dat de elegante jonge dames die ooit in de vlinders en kevers van Andy Warhol flaneerden, die in hun latere leven in de handen nemen om de vaat af te drogen? Niet echt een barstens mooi beeld.