TERUG NAAR STEYL (26072014)
Met enig ongeloof lees ik de tussen de groenten en fruit van de kloostertuin opgehangen mededeling: ”ATTENTIE – ONZE MOESTUIN WORDT CAMERABEWAAKT. VANAF VANDAAG ZULLEN ONZE BEELDEN DOORGESTUURD WORDEN AAN DE POLITIE. OF KOMT U AAN DE BALIE VAN HET MISSIEHUIS BETALEN WAT U HEEFT GEPLUKT?” En dat nog wel in Steyl, een kloosterdorp dat hoofdzakelijk wordt bewoond door bij de SVD – de Societas Verbi Divini – de Gemeenschap van het Goddelijk Woord – betrokken geestelijken en leken en waar de meeste bezoekers pelgrims zijn of het hier gevestigde Missiemuseum als reisdoel hebben. Alleen maar nette mensen zou je toch denken? Dit moet haast wel het bewijs zijn dat er in de omgeving van de missiehuizen en kloosters een diepe economische crisis heerst, dan wel dat er sprake is van proletarisch oogsten. De hoog in het vaandel van de SVD staande zorg voor de minderbedeelden waar ook ter wereld, heeft dus ook grenzen. Zo blijkt. Hoewel ik me uit de jaren negentig van de vorige eeuw een artikel uit Vrij Nederland herinner over kloosters met een verzameling etnografica en/of prullaria die door missionarissen vanaf hun standplaats naar hun klooster werden gestuurd en na het lezen ervan er graag een wilde bezoeken, stond ik een paar jaar geleden in Steyl vlak voor het sluitingsuur voor het eerst voor een echt Missiemuseum. Omdat het “bezoekuur” bijna voorbij was, dronken we wat op het terras aan de overkant, in de schaduw van een groot beeld van een zaaiende Jezus met op de voet een plaquette opgedragen aan Arnoldus Janssen. De oprichter van de SVD die door het missiewerk van zijn congregaties voor het oogsten der dwalende zielen zorgde.
De in 1837 in het net over de grens gelegen Goch geboren Janssen, werd in 1861 tot priester gewijd en zou vervolgens geruime tijd in het onderwijs werken. Zijn ambities lagen echter bij de missie, ambities die door antiklerikale maatregelen van de protestantse kanselier Otto von Bismarck in Duitsland niet verwezenlijkt konden worden. Janssen trok de grens over en begon vanaf 1875 in Steyl te bouwen aan zijn “missie-imperium”. Bijna 140 jaar later krijg ik sterk de indruk dat indien Janssen een entrepreneur zou zijn geweest, hij een zeer succesvol bedrijf uit de grond zou hebben gestampt. Hetgeen vanuit de katholieke kerk bezien waarschijnlijk inderdaad het geval is, Janssen werd tenminste in 2003 door Paus Johannes Paulus II heilig verklaard......... De eerste keer kwam ik geheel zonder voorbedachten rade vanuit Baarlo met de veerpont in Steyl terecht. Vooral de grote sobere gebouwen op de andere oever vielen daarbij op én nogal uit de toon in het groene rivierlandschap zonder enige hoogbouw. De stoere kerk, de missiehuizen, de kloosters, het ketelhuis met de hoge schoorsteen. Deze keer kom ik over de weg vanuit Venlo en rijd via het wat verder landinwaarts gelegen dorp de “kloosterbuurt” binnen langs het Heilige Geest Klooster. Het klooster van de Roze Zusters, de Dienaressen van de Heilige Geest van de Altijddurende Aanbidding, die 24 uur per dag bidden om het internationale missiewerk van afstand met gebed te ondersteunen.
In het Missiemuseum, want daarvoor ben ik uiteindelijk gekomen, worden met name voorwerpen getoond die door de missionarissen naar Steyl werden gestuurd. De uitzondering is te zien in twee separate zalen, in de ene hangt een aan het museum geschonken collectie vlinders – waaronder veel van die heel mooie blauwe morpho's – en kevers in vele maten en kleuren, in de andere mooi Hindoe-Christelijk houtsnijwerk uit Indonesië. Het museum werd aan het begin van de vorige eeuw gesticht en er is sinds 1931 niets meer veranderd, zodoende hangt er hier diezelfde gedateerde sfeer als in het Museum voor Midden-Afrika in Tervuren. Ondanks dat de collectie in het niet valt bij die van Tervuren en de beschikbare ruimte kleiner is dan de grote hal van dat museum. Het dilemma dat ontstaat bij het hebben van veel objecten en weinig ruimte werd in Steyl opgelost door de voorwerpen tot aan het hoge plafond en hoog aan de wanden op te hangen. De museale ruimte is min of meer in tweeën gedeeld: in het voorste deel de etnografica, in het achterste deel de opgezette beestenboel die men hier zelf graag de natuurhistorische collectie noemt. Toegewijd amateurisme heeft ervoor gezorgd dat er een prettig soort anarchie heerst in de vitrines, in plaats van een gelikte multimedia presentatie waaraan hedendaagse musea veel te vaak lijden. De soms nogal lullige bijschriften, zoals “Christelijk houtsnijwerk uit Bandundu, Zaïre”, doen dan minder ter zake. Ik concentreer me op de Afrikaanse objecten die ik uit eigen ervaring ken en dus herken: maskers, door Fulani's fraai besneden kalebassen, een antiek ayo spel zonder de bijbehorende zaden, een koran schrijfplank, een mand gevuld met kauri-schelpen, met de hand gemaakte potten van klei. En op een aantal voorwerpen die mijn nieuwsgierigheid wekken zoals dat masker dat lijkt te zijn opgebouwd uit krabbenscharen, de met veertjes beklede grote schilden, speren voor mannen en vrouwen en dan de unieke halfronde houtsnede die de kruisiging van Jezus op Golgotha verbeeldt. Post-bekeringskunst die weergeeft wat plaatselijke ambachtslieden op basis van de ongetwijfeld beeldende verhalen van missionarissen hebben gemaakt. Nostalgie, pure nostalgie is wat ik hier in Steyl heb beleefd. Een korte reis door een wereld die al lang niet meer bestaat.