DAGBOEK SURINAME - 30 (10012014)

Vrijdag 30 augustus 2013 – Paramaribo – Fort Nieuw Amsterdam – Mariënburg – Paramaribo.
Het witte monument dat een groep mensen voorstelt die aan wal lijkt te gaan, steekt scherp af tegen de donkere regenwolken. Het herdenkt de eerste 94 Javaanse contractarbeiders die op 9 augustus 1890 met het stoomschip Prins Willem II in Suriname arriveerden. Tot 1939 zouden er nog 33.000 Javanen volgen. Dat het monument op de voormalige suikerplantage Mariënburg staat spreekt vanzelf: de eerst gearriveerden werden daar tewerkgesteld door de Nederlandsche Handel-Maatschappij. Uit de tekst op de voet van het monument krijg ik de indruk dat ze geen flauw idee hadden waar ze aan waren begonnen: “De komst van de eerste Javanen wordt symbolisch weergegeven in dit monument. Het aanwerven (ronselen) tot aankomst in Suriname was een weg die voor de Javaan als zeer onprettig werd ervaren. Dit wordt uitgebeeld als de ruwe, ongelijke grond waarop de beelden zijn geplaatst. Mooie beloftes zouden goede perspectieven moeten bieden aan de weinig wetende Javanen. Suriname was voor hen een onbekend grondgebied. Het eerste mannelijke beeld kijkt naar het westen, zich afvragend waar zij terecht zijn gekomen. De vrouw in haar traditionele zithouding daarentegen kijkt vertwijfeld naar het oosten, vanwaar zij samen zijn gekomen. De kinderen weinig bewust van de omgeving proberen......”. De rest van de tekst gaat verscholen achter de twee bloemenkransen die ervoor liggen.

Na de afschaffing van de slavernij in 1863 kwam een nieuwe arbeidsmigrantengolf op gang. De voormalige slaven waren verplicht nog 10 jaar tegen betaling op “hun” plantage te blijven werken, maar het was vanaf het begin duidelijk dat dit met tegenzin gebeurde. Doch niet getreurd, vervangende arbeidskrachten waren onderweg. Deze keer niet uit Afrika, maar in eerste instantie uit Brits-Indië en naderhand uit Nederlands-Indië. De eerste “Hindoestanen” die in Suriname aan de slag gingen, waren voornamelijk afkomstig uit Brits-Guyana. Het waren arbeiders die er na afloop van hun 5-jarig contract voor kozen naar de Nederlandse kolonie aan de andere oever van de Corantijnrivier te verhuizen in plaats van terug naar huis te gaan. De grote stroom kwam echter pas goed op gang nadat Nederland en Engeland in 1872 – precies op tijd – een verdrag sloten waarbij Nederland het recht kreeg om in Brits-Indië arbeiders voor Suriname te werven. Het was een verdrag dat me aan de Vrede van Breda van 1667 doet denken. In dat jaar werd Nieuw-Amsterdam – daarna New York – met de Engelsen “geruild” voor Suriname en de Antillen. Suikerplantages waren toen stukken meer waard dan de kale grond van Manhatten....... l'Histoire se répète. Nederland droeg zijn forten aan de Goudkust – het latere Ghana – over aan de Britten en beëindigde daarmee de vaderlandse koloniale aanwezigheid in Afrika. De Britten zagen af van hun aanspraken op Atjeh – de Nederlanders begonnen vervolgens in 1873 de eerste Atjeh-oorlog – én Nederland kon dus arbeiders gaan ronselen in India. Het was arbeidsbemiddeling op het hoogste niveau: het verdrag werd ondertekend door Koningin Victoria en Koning Willem III. Hoewel de Britten in naam voorvechters waren van de afschaffing van de slavernij vanuit Afrika, was het voor een habbekrats verplaatsen van analfabete en geen Engels of Nederlands sprekende Indiërs geen enkel probleem. Zelf hadden ze al tientallen jaren geput uit het enorme reservoir goedkope arbeidskrachten in het tegenwoordige Uttar Pradesh voor tewerkstelling in hun Afrikaanse koloniën. Zoals voor de spoorwegaanleg in Kenya en het werk op de suikerrietvelden in de omgeving van Durban. Én voor arbeid op onder meer de suikerrietplantages van Jamaica, Trinidad en Brits-Guyana. Op 4 juni 1873 arriveerden de eerste onder het verdrag met Groot-Brittannië geworven Hindoestanen in Paramaribo, dit zou doorgaan tot 1916. Nadat de stroom uit Brits-Indië was opgedroogd, kwamen er tot 1939 alleen nog Javanen richting Suriname.

Tegenover het grote monument voor de Javaanse immigratie, staat op het Plein van 30 Juli 1902 een stukken eenvoudiger gedenkteken dat de herinnering hooghoudt aan wat hier op die datum is gebeurd. “Op deze plaats heeft het toenmalige koloniaal leger de opstand van de strijdhaftige contractarbeiders van de plantage Mariënburg onder aanvoering van Hardat en Wongsoredio op 30 juli 1902 bloedig neergeslagen. Deze opstand vond zijn oorsprong in onderdrukking, uitbuiting en vernedering van de contractarbeiders door koloniale heersers”. Dit is precies waarom ik Mariënburg wilde bezoeken. Zeker na te hebben gelezen dat archeoloog Ben Mitrasingh probeert het massagraf te vinden waarin de stoffelijke resten liggen begraven van de 17 slachtoffers die toen vielen. Het is een onverkwikkelijke koloniale historie van machtsmisbruik, uitbuiting en ongewenste seksuele avances en misbruik door directeur James Mavor met vrouwen van de plantage. Hij werd op 29 juli 1902 met kapmessen – een alom voorhanden wapen op een suikerrietplantage – op gruwelijke wijze vermoord. Na het verhaal te hebben gelezen, is er maar een conclusie mogelijk: zijn verdiende loon! Ruim 110 jaar geleden werd daar anders over gedacht: een opstand van contractarbeiders! Leger erop af, een dreigende menigte ongewapende Hindoestanen en Javanen, dus: geweer aan de schouder, richten en schieten met als droef resultaat 17 doden en 39 gewonden. Helemaal in de geest van de zachte heelmeesters. Schande!

wordt vervolgd