|
DAGBOEK SURINAME - 29 (04012014) Vrijdag 30 augustus 2013 – Paramaribo – Fort Nieuw Amsterdam – Mariënburg – Paramaribo. Het heeft allemaal te maken met het traditionele schoeisel van de Javanen, de teklé, dat met de eerste contractarbeiders meekwam naar Suriname. “Als schoeisel werd de teklé, een slipper met een houten zool met balatarubber erover heen, meegebracht. Balatarubber is een rubber gemaakt uit een mengsel van melksap en hars afkomstig van de bolletrieboom. In die tijd was het kopen van schoeisel in Suriname onbetaalbaar, waardoor de teklé al heel gauw werd overgenomen door de andere bevolkingsgroepen, waaronder Creolen en Hindoestanen. Balatarubber werd vervangen door de buitenband van een fiets. In de volksmond werd de teklé tip tip genoemd, dit gezien het geluid dat het maakte tijdens het lopen”. Het wordt voortdurend donkerder, er dreigt een flinke regenbui, de weergoden hebben nog steeds niet door dat de regentijd al bijna een maand voorbij is. Vreemd overigens dat het in het binnenland wel droog was, maar dat het dichter bij de kust gewoon iedere dag blijft regenen. Voor dat de bui gaat vallen, snel even naar de samenvloeiing van de Surinamerivier en de Crommewijne kijken, “een must” volgens onze begeleiders. Tja, maar wat zie je aan zo'n brede plas water als je er op gelijke hoogte naar kijkt? Plichtmatig kijk ik mee, doch vind er niets aan. Wat mij betreft is de mooiste samenvloeiing van twee rivieren te zien op een heuvel even buiten Lokoja, de hoofdstad van de Nigeriaanse deelstaat Kogi, waar je de Niger en de Benue kunt zien samenvloeien. Hoewel het al weer bijna 15 jaar is geleden dat ik daarop neerkeek. Vanuit Abuja reed ik naar Lokaja met als enig doel het punt te zien waar beide rivieren samen verder naar het zuiden stromen om als één enkele rivier de Atlantische Oceaan te bereiken. Na veel over de Niger te hebben gelezen, er niet te ver van de bron in Mali bij Djenné en Mopti op te hebben gevaren, na zowel in Leiden als in Lagos de tentoonstelling met archeologische vondsten uit de Nigervallei te hebben bezocht, moest ik hier perse naar toe alvorens naar de andere kant van de oceaan te verhuizen. Dankzij de aanwijzingen van een aardige uit Lokoja afkomstige jongedame, wist ik dat je aan de andere kant van het stoffige stadje de weg omhoog moest volgen en op het hoogste punt – hoewel verboden – moest stoppen en genieten van het mooie gezicht op de “confluence” in de diepte. Dat deed ik een half uur lang met volle teugen, het was indrukwekkend en de moeite van bijna vier uur rijden heen en vier uur rijden terug meer dan waard. Sindsdien bekijk ik dit soort natuurverschijnselen dus met andere ogen en ben niet meer zo snel onder de indruk. Het begint te stortregenen, wij lachen in ons vuistje om de reisgenoten die op de fiets onderweg zijn naar Fort Nieuw-Amsterdam en kletsnat gaan worden. Tijd voor een korte pauze bij de Chinese supermarkt: bananenchips en Parbobier voor ons, Heineken voor onze begeleiders die beiden familie in Nederland hebben wonen. Het loodsmannetje, dat tot nu toe nauwelijks een woord Nederlands heeft gesproken, neemt opeens deel aan het gesprek als het over het bezoeken van familie overzee gaat. “Familiebezoek is verloren tijd!”, stelt hij krachtig vast. Beiden gaan om hun koffers te vullen met spullen die terug in Suriname kunnen worden verkocht en de reis de moeite waard maken. Familiebezoek is slechts het excuus om een visum te bemachtigen, zo begrijp ik. wordt vervolgd |