DAGBOEK SURINAME - 16 (01112013)

Zondag 25 augustus 2013 – Paramaribo – Groningen – Nieuw Nickerie.
Hindoetempels en moskeeën wisselen elkaar af, hier en daar een verlept kerkje van de Evangelische Broedergemeenschap, vlaggen in de tuinen bij de huizen langs de weg verraden het Hindoegeloof van de bewoners. We bereiken de Oost-Westverbinding via een omweg, de chauffeur heeft vergeten iets mee van huis te nemen. Nickerie 219 kilometer meldt de aftandse wegwijzer uit de koloniale tijd. In wat zo´n beetje de langzaamste veeldehands bus van Suriname is, sukkelen we van Paramaribo naar Nieuw Nickerie dat aan de westgrens met Guyana ligt. De ongemakkelijke houten banken van de korjaal zijn verruild voor de ongemakkelijke stoelen van een aftandse bus. Desgevraagd legt de gids uit dat overal waar bebouwing langs de weg staat, de maximumsnelheid 30 kilometer bedraagt, maar het lijkt erop dat onze chauffeur de enige is die zich daar wat van aantrekt. Dankzij technische bijstand uit Nederland beschikt de politie hier over snelheidsmeters, “het soort ontwikkelingshulp waar de Surinaamse bevolking niet erg blij mee is”, wordt er met een glimlach opgemerkt. Onderweg vooral kleinschalige landbouw. We steken de Saramaccarivier over en bereiken het dorp Groningen, enige fantasie kan de toenmalige naamgevers zeker niet worden verweten. Een dorp van niets dat er keurig uitziet en dat als grootste attractie het Monumentenplein heeft. Zo meldt de gids althans, terwijl de argeloze toerist zich afvraagt of dat nu echt iets is om naar uit te kijken. De Engelsen hebben daar een toepasselijk gezegde voor: the proof of the pudding is in the eating. Nou, smaken doet het absoluut niet. Maar eerlijk is eerlijk, de belangrijkste gebeurtenissen en alle ethnische groepen uit de omgeving van dit Groningen, dat de hoofdstad is van het district Saramacca, worden er herdacht.

“WI FRI, WI DE TAN FRI” staat er op de “ereboog” boven zo'n grote verroeste pan die destijds op de suikerplantages werd gebruikt, “WE ZIJN VRIJ, WE BLIJVEN VRIJ”. Het monument is opgericht ter herdenking van de 145ste verjaardag van de afschaffing van de slavernij in Suriname op 1 juli 1863. Het logische vervolg daarop is het monument ter herinnering aan de aankomst van de eerste Brits-Indische contractarbeiders op 5 juni 1873, dat wordt gesymboliseerd door een roestvrijstalen zeilschip. Heel toepasselijk eigenlijk. Ook aan de inheemse bevolking is gedacht in de vorm van een grote roofvogel die tegen de kaart van Suriname is geplakt, met in zijn klauwen zo te zien een inheemse Surinamer. De verbeelding van hoe het land van de Indianen werd geroofd? De kaart van Suriname staat nogmaals op de sokkel een veel hedendaagser gedenkteken: het Bevrijdingsmonument. Bovenop de sokkel leunen twee soldaten op een “wiel” met daarin de afbeelding van een schip, een boortoren, het nationale wapen en iets onbestemds dat ik niet kan thuisbrengen. De datum op de voet – 25 februari 1980 – verwijst naar de “Sergeantencoup”, de militaite staatsgreep onder leiding van Desi Bouterse en Roy Horb door een groep van 16 sergeanten, die ongetwijfeld hun opleiding aan de Nederlandse KMS hadden genoten. Die staatsgreep is door de sponsor van het monument, ene Mr. B. Ahmadali, duidelijk als bevrijdend ervaren. Tenslotte het sobere monument “ter herdenking aan de komst, het lijden en de volharding van de Ned Boeren in Suriname”, de Boeroes. Een stukje vaderlandse geschiedenis dat weinigen kennen, een verhaal apart. De Boeroes (boeroe = boer) zijn de nazaten van de 398 Nederlandse kolonisten die tussen 1845 en 1853 met mooie woorden en beloften naar Suriname werden gelokt. Anders kan ik het niet noemen.

Het was zo'n twee-vliegen-in-één-klapproject van een drietal dominees voor wie het duidelijk was dat de afschaffing van de slavernij slechts een kwestie van tijd zou zijn. Zij stelden voor om arme boerengezinnen uit Groningen en Gelderland naar Suriname te halen, zodat die daar konden gaan boeren zoals ze dat in het vaderland waren gewend: op eigen kracht. De plantage Voorzorg – een voormalige leprakolonie gelegen aan de Saramaccarivier - werd hun eindbestemming, de eersten arriveerden op 21 juni 1845 onder leiding van Dominee van den Brandhof. Het zou een rampzalig avontuur worden omdat zowel de belofte van huisvesting, als het bouwrijp maken van de grond vrijwel niet was nagekomen. Bovendien sloeg al snel de tyfus catastrofaal toe, de kolonisten verlieten Voorzorg, eerst naar het aan de andere kant van de rivier gelegen Groningen en vervolgens naar Kwatta en Uitvlugt aan wat toen de buitenkant van Paramaribo was. Andere boeren kwamen daarna nog wel voor eigen rekening over uit Nederland, hun afstammelingen vormen nu “de boeroes”, een unieke Surinaamse ethnische groep. Het is een erg warme dag, alvorens we onze weg vervolgen nog even wat nuttigen bij de warung, bij de nazaten van de Javanen, contractarbeiders van een toenmalig ander Rijksdeel overzee. Het ijskarretje naast de ingang “MUMPO IJS IS HEERLIJK IJS” is helaas onbemand en zonder voorraad, hetgeen rijkelijk wordt gecompenseerd door het heerlijke roze eten en drinken - goeloe-goeloe en dawet – van de Javaan. We rijden het keurig bijgehouden dorp weer uit, passeren onderweg de wegen die leiden naar de olieputten van Staatsolie en vraag ik me af waarom er hier tijdens de koloniale tijd nooit iets is gedaan aan de exploratie van de ruwe olievelden, aan de economische ontwikkeling van Suriname.

wordt vervolgd