DAGBOEK SURINAME - 13 (16102013)

Donderdag 22 augustus 2013 – Danta Bai – Pikin Slee – Danta Bai.
Ja, daar bij dat altaar in de hoek van de museumzaal in Pikin Slee, op meer dan twee uur varen ten zuiden van het Brokopondomeer en dus bijna in het midden van Suriname, wordt mijn geheugen spontaan opgefrist. Beelden uit halverwege de jaren negentig van de vorige eeuw, beelden van Benin City, dat ergens in het midden van Nigeria ligt. Daar zijn ze opeens weer, die leuke stagiaire en die sympathieke bankier met wie ik af en toe zaken deed, beiden afkomstig uit de stad en beiden zeer betrokken bij de tradities van het door de Britten in 1897 onder de voet gelopen en leeg geroofde Koninkrijk Benin. Zij zorgden ervoor dat deuren opengingen, die normaal gesproken gesloten zouden zijn bleven. Zodoende zag ik een voorouderaltaar in het huis van een vooraanstaande functionaris binnen de traditionele structuur van het Koninkrijk, dat in naam nog steeds bestaat. De Oba, de Koning, heeft geen formele macht meer, maar nog wel veel invloed binnen de gemeenschap. Dat karakteristieke altaar bestond uit een groot aantal “ukhurhe” of rammelstaven die keurig naast elkaar tegen de muur stonden en met enige regelmaat werden geraadpleegd. De ukuhrhe die ik heb, is een eenvoudig gedecoreerde hardhouten staf van ruim één meter. Bovenaan is de beeldtenis van een voorvader gesneden, even onder die kop is een kleine holle ruimte gekerfd waarin een stukje hout zit. Als men de ukuhre schudt of op de grond stampt, rammelt het houtje en wekt zo de geest van de voorouder die men wil raadplegen. Ver van bron, want dat is Suriname toch, ziet het er allemaal eenvoudiger uit, Afrikaanse hoogwaardigheidsbekleders hadden hier dan ook een stukken nederiger rol. Maar toch, wat mij betreft is de eenvoudige vorm heel herkenbaar, zelfs al zijn het bij de Saramaccaners grillig gevormde stokken. “Nee”, zo wordt mij desgevraagd verklaard, “dit zijn geen voorouders, dit zijn geesten”. Dus toch hetzelfde idee concludeer ik en houd verder mijn mond.

“Heb jij een vrouw?”, vraagt Joni mij zomaar aan het einde van de rondleiding. Razendsnel overweeg ik mijn opties. Als ik nee zeg, zou het wel eens kunnen zijn dat ik er over een paar weken met eentje naar huis ga. Dat zou mijn lelieblanke vriendin, die mij toch al met enige regelmaat verwijtend vraagt of ik toch echt niet nog altijd een voorkeur voor zwarte vrouwen heb, zeer teleurstellen. Dat is de moeite echt niet waard. Dus het antwoord is “JA!”, het overtuigt haar niet echt. Het zal dus wel als “mmm ja” zijn overgekomen. Zou ze zo assertief zijn omdat ze wordt gecoacht door Corine Spoor, die zich nadrukkelijk met de gang van zaken in het museum bemoeit? Ik kan mij daar wel iets bij voorstellen. De oud-journaliste van de Tijd én oud-hoofdredacteur van de Wereldomroep is zo te zien gewend om nadrukkelijk leiding te geven en te provoceren. Ze is nogal aanwezig. “Hoe ben je hier terecht gekomen”, wil ik weten. Ze was ooit op bezoek in Pikin Slee met een aantal landbouwkundig ingenieurs die naar het dorp waren gekomen om te helpen de oogsten te verbeteren en verloor er haar hart. Hoewel ik dat herken, heb ik er zelf nooit voor gekozen om vervuld met de allerbeste bedoelingen terug te gaan naar zo'n ver van de buitenwereld gelegen stad of dorp. En dat voor iemand die in 1990 Adriaan van Dis behoorlijk provoceerde met de constatering dat zijn boeken in de toptien stonden omdat hij zijn eigen televisieprogramma had. Pijnlijk en van Dis afgezeken. Niks mis mee, maar een dorp in het binnenland van Suriname heeft wellicht behoefte aan een wat minder directe aanpak. Want wat doet dat opzichtig uitgestalde boek van de beeldentuin van Museum Kröller-Müller hier in vredesnaam? Het wekt de indruk dat de beeldentuim bij het Marronmuseum van dezelfde orde zou zijn, schandalige arrogantie van een bakra! De beelden van de rastafari uit Pikin Slee - zoals een beschilderde doorgezaagde korjaal, voorzien van een gezicht, ongemakkelijke “design” stoelen, figuratieve en de abstracte afbeeldingen van mensen - halen in de verste verte niet bij wat er op de Hoge Veluwe staat. Ondertussen zien we tijdens het hele bezoek maar één enkele rastafari en dat is onze Surinaamse kok die voor het eerst voor toeristen kookt en het binnenland niet kent. Van de “spechten” zien we niemand en dat is jammer, want het initiatief om de herinnering aan je cultuur in stand te houden in een omgeving waar dat niet zo gebruikelijk is, is alleszins bewonderingswaardig.

Ruim twee uur heen, betekent dus ook twee uur terug tussen het groene “behang” van de bomen langs de oevers die slechts hier en daar worden onderbroken door dorpen en kostgrondjes die meestal “buiten de bebouwde kom” liggen. Het regent al dagen niet meer in het regenwoud, het waterpeil daalt zichtbaar, de rotsen komen boven water, het manoeuvreren wordt moeilijker, maar de bootsman kent de rivier op zijn duimpje. Hoewel, voor de zekerheid zit er iemand op de boeg om waar het moeilijk wordt de vaarroute aan te geven en dan heb je de wonderbaarlijke zijkanalen die steeds precies op het goede moment een alternatief bieden. We stoppen bij de Ferulasula om op te frissen, maar het water staat helaas al te laag om de unieke ervaring van de sinaasappelwaterval van eergisteren te kunnen evenaren.

wordt vervolgd