|
DAGBOEK SURINAME - 2 (240813)
Woensdag 14 augustus 2013 – Paramaribo.
Langzaam maar zeker begin ik het gevoel te krijgen in West-Afrika te zijn in plaats van in Zuid-Amerika. Zowel het chaotische straatbeeld vol met mensen van Afrikaanse afkomst, de levendige straathandel, als de markt zelf versterken dat gevoel. Geschilderde gevelreclames buiten: “Onder Jurke, Koto (rok), Hoofddoeken, Kabal, Pangi (omslagdoek), Linti Broekoe, Loedé, enz, enz Kimona”, binnen een indeling in sectoren zoals ik die ken van de Yabamarkt is Lagos, vis bij vis, textiel bij textiel, groenten bij groenten, geneeskrachtige kruiden bij geneeskrachtige kruiden oftewel de winti-apotheek. Levende krabben die uit een afgedankt olievat worden gevist om aan de man te worden gebracht, kinderen die “knippa” lopen te venten. Dat ziet er uit als een druiventrosje, maar de schil is hard. Bijt die open en geniet van de zachte zoete substantie die rond de pit zit, zoiets als op de bonen van een cacaovrucht sabbelen. Bij de kraampjes die samen de “apotheek” vormen wordt mij, ik weet niet waarom, een fles voorgehouden waarvan ik weet wat het is. “Surinaamse Viagra” meldt de markvrouw, “moet je meenemen naar Nederland.” Het enige wat ik wil weten hoe dit spul hier wordt genoemd, omdat ik het jaren geleden in de Dominicaanse Republiek heb leren kennen als “Mama Guana”. Een gebruikte drankfles gevuld met stukjes hout en kruiden en rum, dat iedere man na het drinken ervan de potentie schijnt te geven waar hij onbewust zijn hele leven al naar verlangt. Na veel moeite wordt onthuld dat het een “manfles” is, naderhand hoor ik dat de “echte” naam man batra is.
In bijna marstempo de Jodenbreestraat door aan het eind waarvan een grote moskee en een grote synagoge broederlijk naast elkaar staan, iets verderop staan de deuren van de achthoekige Nederlands Hervormde Centrumkerk open. Zowel aan de voorkant als aan de achterkant, zodat de weinige wind voor enige verkoeling binnen zorgt. Wat ik niet kan rijmen is dat in de vloer van de in 1810 gebouwde en naderhand in 1833 herbouwde kerk grafstenen liggen van in de 18e eeuw overleden gelovigen. Zoals die uit 1769 van Johanna Margareta van Striep, de “huysvrouw van Salomon du Plessis” en moeder van de eerder genoemde Sussana du Plessis van wie de grafsteen hier eveneens ergens ligt. Du Plessis is een naam die ik in Zuid-Afrika al veelvuldig tegenkwam, een hugenotennaam. Salomon was advocaat in dienst van de West-Indische Compagnie die in 1734 in Paramaribo arriveerde. In 1738, een jaar na zijn huwelijk met Johanna Margareta, nam hij ontslag en werd plantage-administrateur. Naderhand trad hij op als woordvoerder van een groep “verlichte planters” die zichzelf “republikeins” noemden doch algemeen werden aangeduid als de “cabale”, samenzweerders dus. Samenspanners tegen de toenmalige gouverneur Jan Jacob Mauricius. Het zou er uiteindelijk toe leiden dat du Plessis zich niet meer in Suriname mocht vertonen. “De huysvrouw” van Salomon was een alles behalve onbemiddelde erfgename van één van de rijkste families die destijds in Suriname woonden. Susanna kwam in een gespreid bedje terecht, zij bezat echter ook het zakelijke instinct om nog rijker te worden, hoewel haar reputatie het beeld geeft van iemand die nietsontziend was. Tot zover de overpeinzingen bij een grafsteen in de Nederlands Hervormde kerk van Paramaribo.
Na de hoogst noodzakelijke djogo Parbobier – vanwege het vochtverlies tijdens de ochtendwandeling - gaan we op zoek naar de “Sweet Merodia”, het schip van de Surinaamse schrijfster Cynthia McLeod. Een vrouw met een missie, vandaar. Tegen het einde van deze reis willen we de voormalige plantage Mariënburg bezoeken, een plantage waarover zij twee boeken schreef: “Herinneringen aan Mariënburg” en “Tweemaal Mariënburg”. Een bezoek dat we nu alvast willen regelen. Met richtingaanwijzigingen van de bewaking van het hotel lopen we door de belachelijk warme en vochtige middaghitte. We vragen nog maar eens naar de weg met als gevolg dat we de gezochte plek niet vinden. De tropische hitte veroordeelt ons vervolgens tot de gekoelde hotelkamer. De “Sweet Merodia” kan nog wel even wachten.
Donderdag 15 augustus 2013 – Paramaribo – Domburg – Overbridge.
Na de oppervlakkige kennismaking met de hoofdstad is het voor de komende tien dagen de beurt aan “het binnenland”. Te beginnen met een korte rit naar Domburg, het geboortedorp van Desi Bouterse. Spitsuur in Paramaribo komt goed uit, daardoor zie je meer. Het meest opvallende is voor mij een bedrijf dat meerdere malen per week luchtvrachtpakketten naar Nederland verscheept, terwijl ik vanaf de Rotterdamse Middellandstraat en Kruiskade niet beter dacht te weten dat alle luchtvracht juist de andere kant opgaat. Iets om over na te denken. Een smalle weg die parallel loopt aan de Surinamerivier, lintbebouwing. Hier en daar bij de huizen de “hindoevlaggen” die ik uit Trinidad ken, een enkele tempel. Domburg zelf herinneret op geen enkele manier aan de frisse Walcherse badplaats. Niet dat ik dat dorp goed ken, maar het lijkt me nogal onwaarschijnlijk dat ik daar de dienstdoende politiemannen met een pijpje bier aan de mond voor de politiepost zou zien staan. Hier in Suriname negeer je zoiets, zeker als je uit het voormalige “moederland” komt. De reis is net begonnen, die voortijdig te moeten afbreken door ongewenste bemoeizucht zou op zijn minst onverstandig zijn.
wordt vervolgd
|