|
BOA VISTA - 3 (03032013) Dat Kaapverdi? deel uitmaakt van Afrika was me tot nu toe niet zo erg opgevallen, Europees geklede mannen en vrouwen met vaker wel dan niet een lichtbruine huidskleur hadden dat enigszins gecamoufleerd. De eilandengroep voor de kust van West-Afrika ligt aan de rand van het Afrikaanse continent, net of het er niet bijhoort. Mooi is hoe Germano Almeida in minder dan een minuut het scheppingverhaal van de eilanden vertelt: “God schiep de wereld in zeven dagen en maakte die klaar voor bewoning door de mensheid. Een continent hier, een continent daar, een beetje afwerken hier een beetje bijwerken daar. Toen hij klaar was, bekeek hij zijn werk en zei “dat ziet er goed uit”. Toen zag hij dat er nog wat stof aan zijn handen zat. Hij maakte ze schoon en schudde ze af, de restjes stof die toen van zijn handen vielen vormden Cabo Verde. Stofresten midden in de Atlantische Oceaan, de Kaapverdische Archipel. Stofjes van God, dat zijn de eilanden. Restjes stof van God's handen.” Die Kaapverdische eilanden waren onbewoond toen de Portugezen ze in 1460 ontdekten. Het zou naderhand een belangrijke doorvoerhaven worden voor de transatlantische slavenhandel, zoals de Portugezen er elders langs de kust van Afrika meerdere hadden: S?o Tom? Ouidah en Elmina. Beide laatste liggen aan wat destijds op de landkaarten als “Slavenkust” werd aangeduid, naar het “product” dat er vandaan kwam. Elmina werd trouwens in 1637 door de West-Indische Compagnie veroverd, doch hield dezelfde functie: de inkoop, opslag en doorvoer van Afrikaanse slaven naar de overkant van de Atlantische Oceaan. Nu heb ik zowel Elmina, Ouidah – lees vooral “De onderkoning van Ouidah” van Bruce Chatwin - als S?o Tom? bezocht alwaar de bevolking voor bijna 100% uit donkere Afrikanen bestaat. In Boa Vista en de meeste andere Kaapverdische eilanden dus niet, vandaar dat het mij aanvankelijk niet opviel “in Afrika” te zijn. De koloniale bevolkingsstatistieken maakten nog onderscheid naar huidskleur, na de onafhankelijkheid is men daarmee opgehouden zodat nu onbekend is hoeveeel Kaapverdianen een Europese, Afrikaanse of gemengde afkomst hebben. Het is echter goed zichtbaar dat vrijwel iedereen Europees en/of Afrikaans bloed heeft. De moderne vismarkt ligt er verlaten bij, de vissers zijn nog op zee. Binnen liggen op slechts één van de roestvrijstalen werktafels een complete en een wat slordig van kop, staart en ingewanden verloste tonijn. Buiten liggen naast de ingang op een betonnen rand tandvisbaarzen - gropers - in de zon te drogen. Die rood-met-bruine-stippen-vissen liggen keurig twee aan twee, borst tegen borst op een zeiltje, alsof het iets ceremonieels is of een speciale betekenis heeft. Navraag in meerdere talen levert echter niets anders op dat dit sinds mensenheugenis hier de manier is om die vissen te drogen en dat het verder niets heeft te betekenen. Iets dat ik weiger te geloven, zinloze koppigheid die niets oplost, het zit me nog dwars. Hetgeen enigszins wordt goedgemaakt met de wandeling naar Hostel Migrante aan de Avenida Amilcar Cabral die niets van een echte stadse Avenida wegheeft, maar waar langs wel een aantal bijna stadse huizen staan. We gaan er lokale lekkernijen proeven: koffie van het eiland Fogo, ponche de mel, viskoekjes, grogue, donuts, geitenkaas en jam van... ja van wat eigenlijk. Proeven, genieten. Die ponche – grogue aangelengd met honing en kruiden – is erg smakelijk. De Kaapverdiaanse grogue – afkomstig van de eilanden Santo Antão en Santiago waar suikerriet wordt verbouwd – is een aguardiente zoals de Brazilaanse cachaça, een rumvariant. Een “lichte” grogue bevat niet meer dan 45% alcohol, sommige “zwaardere” soorten zouden zelfs tot 80% bevatten! Het hostel is gevestigd in een huis dat rond 1860 werd gebouwd door uit Marokko naar Boa Vista geëmigreerde Sefardische joden. Thans valt het op dat een aantal winkels door Chinezen wordt gedreven, terwijl de souvenirhandel veelal in handen van Senegalezen is. Op het dorpsplein gaat het kindercarnaval van start voor de kinderen van de kleuterschool. Veel zijn het er niet, maar ze zijn mooi opgemaakt en aangekleed. Een aantal begeleidende jongedames dragen korte rokjes die zijn gemaakt van oude kranten of tijdschriften waarin soms patronen zijn geknipt. Zoals vroeger de gordijntjes en de strookjes aan de kastplanken in minder gegoede huizen. Ik zag er mooie voorbeelden van in veenkoloniale plaggenhutten en in het Distrik Sesmuseum in Kaapstad, maar nooit eerder zag ik van oude kranten gemaakte minirokjes. Een opvallende figuur is de man in zeemanskleding die een zelfgemaakte boot over zijn schouders heeft gehesen. Aangetrokken eerder, want hij loopt er zelf middenin. De dekknechten zijn Sneeuwwitje en de Zeven Dwergen, op de voorplecht staat een klein blauw kistje met een gleuf erin. Nadat ik mensen er een muntje in heb zien gooien, bevestigt hij van die bijdragen te “leven” en raken we aan de praat over Rotterdam waar in Delfshaven ruim twee maal meer Kaapverdianen wonen als in Boa Vista. De stoet wordt gevormd achter een auto met geluidsinstallatie, kinderen en begeleiders gaan defileren door het dorpscentrum op het moment dat ik omhoog kijkend word afgeleid door de afbeelding van Che Guevara hoog op de buitenmuur van een huis. Dat was wel het allerlaatste dat ik in het alles behalve revolutionair ogende Sal Rei had verwacht. wordt vervolgd |