BOA VISTA (19022013)

Het is allemaal de schuld van Germano Almeida dat ik op een koude Europese winterochtend veel te vroeg in een taxi naar het vliegveld stap. Hoewel ik moet toegeven dat hij niet op de hoogte is van dit verwijt, noch van mijn reis. Gaandeweg het lezen van zijn roman “Aan de familie Trago” begon ik steeds meer zin te krijgen om onmiddellijk af te reizen naar Boa Vista, het Kaapverdische eiland waar het verhaal zich afspeelt en waar de schrijver werd geboren in het dorpje João Galego. Het is een familiegeschiedenis die zich op z’n Afrikaanse bijna 400 pagina’s lang geheel onthaast ontrolt en naarmate het verhaal vordert, neemt mijn nieuwsgierigheid toe. Dit is echt een boek dat “op locatie” moet worden gelezen want de auteur beschrijft Sal Rei - het grootste dorp – en het eiland behoorlijk nauwkeurig. Dat is althans mijn indruk. De geringe oppervlakte van Boa Vista – ongeveer 40 kilometer lang en iets minder dan 30 kilometer breed – helpt daar natuurlijk wel een handje bij. Wat verder een rol speelt is dat naast mijn pied-à-terre op vaderlandse bodem ooit de plaatselijke Kaapverdische sociëteit was gevestigd, een trefpunt voor vele van de zowat 20.000 Kaapverdianen die in Rotterdam wonen. Vaak nakomelingen van zeelieden die in de stad waren blijven hangen. Nadat ik naar Rio de Janeiro was verhuisd, konden we zomaar in het Portugees met elkaar kletsen. Prachtig was dat, omdat mijn Portugees overduidelijk Braziliaans Portugees was en het hunne dus niet. En dan de van het Kaapverdische eiland Sao Vicente afkomstige zangeres Cesária Évora, bijgenaamd “de diva op blote voeten. Haar optreden op het strand van Ipanema zal ik nooit vergeten. Een kleine eenvoudig geklede vrouw met de donkere huidskleur van een Brazilaanse uit Salvador de Bahia, inderdaad op blote voeten, die op het enorme podium liederen zong die het midden hielden tussen de Portugese fado en Braziliaanse samba. Dat vond ik nogal vanzelfsprekend, Kaapverdië ligt immers zo’n beetje halverwege beide landen in de Atlantische Oceaan. En dan de grote tegenstelling tussen haar en de hooggehakte superelegante Braziliaanse zangeres Marisa Monte, met wie ze samen optrad. Het was een bijzondere avond waarop Kaapverdië even dichtbij was en de dag erna gewoon weer even ver weg en onbereikbaar als voorheen. Als ik ontdek hoe eenvoudig het is om naar Boa Vista te vliegen en daar in een comfortabel resort even buiten Sal Rei te logeren, is de teerling geworpen.

”Harmattan”, weet ik gelijk als de gezagvoerder meldt dat er tegen het einde van de vlucht stof uit de Sahara in de lucht zal hangen. Eind van deze maand is het dertien jaar geleden dat ik uit Lagos vertrok, in Nigeria kon je tijdens de harmattan ’s ochtends vroeg je naam in het stof kon schrijven dat dan op de auto lag, en soms ook op je bureau in een kantoor waar de ramen niet al te best sloten. Het was de tijd van het jaar dat een wolk van fijn stofzand als een dikke mist in de lucht hing waardoor de zon werd afgeschermd en de temperaturen minder hoog dan gebruikelijk waren. Volgens de Nigerianen was het ’s nachts ronduit koud omdat de temperatuur beneden de 25 graden zakte. Dus ondanks de toch nog altijd ruim 20 graden boven nul: muts op en warme kleding aan. Eenmaal aanbeland in Rio misten we de vochtige warmte van Lagos zowaar en noemden de stad Frio de Janeiro, wat men daar dan weer vreemd vond....... En nu dus onderweg naar Boa Vista in de República de Cabo Verde, die bestaat uit 10 eilanden voor de kust van Senegal. Vijfhonderd jaar een Portugese kolonie, onafhankelijk sinds 1975 in de nasleep van de Anjerrevolutie. Boa Vista, ruim 4.700 kilometer verderop, ruim zes uur vliegen, om te zien, om te proeven, om de couleur locale die Germana Almeida beschrijft. Of wat daar nog van over is, want het eiland is sinds een paar jaar een toeristische bestemming. Het toestel zit vol, behalve de stoel naast mij die ik er als “duozit” heb bijgeboekt om niet te krap te hoeven zitten. Kort voor de landing zakt het vliegtuig door de stofwolk: een scheepswrak op het strand, daarna het droge dorre land dat op het eerste gezicht aan de Chileense Atacamawoestijn doet denken en als een oase in die woestijn een groot wit complex.

Het vliegveld is klein of beter “knus” en goed georganiseerd, het toerisme brengt de hoogstnodige werkgelegenheid en daar moet je zuinig mee omgaan. De ontvangst in het hotel idem dito. Ik krijg kamer 1237 in de “buitenwijken” van het complex, bijna 10 minuten wandelen vanaf de receptie! Douchen, omkleden en op verkenning. Op een eiland met minder dan tienduizend inwoners, waarvan de infrastructuur nog niet echt is berekend op grote aantallen toeristen is de keuze van een “all inclusive” hotel niet erg avontuurlijk, maar wel erg praktisch. Het Karimboa, jazeker de oase die ik vlak voor de landing zag, is bovendien “24 hours All Inclusive” hetgeen betekent dat er zonder enige beperking dag en nacht kan worden gegeten en gedronken. Het groene bandje dat bij aankomst om de pols is gedaan – zo’n enkelband dragen misdadigers met verlof toch ook? hoewel die elektronisch is – is een “prepaid” zonder limiet. Gelukkig heb ik jaren geleden de nodige ervaring opgedaan met dit concept in de Dominicaanse Republiek en ben bekend met de gevaren van overeten en teveel drinken. Toch kan ik het niet laten om vroeg in de middag al een grogue te bestellen, een drankje dat regelmatig in het boek wordt gedronken. Puur veldonderzoek van een reizend schrijver en dan de kabeljauwballetjes – formaat bitterbal – die in Brazilië zo lekker smaakten en die ik al zo lang niet meer heb geproefd. Niet echt een goed begin.

wordt vervolgd