EEN MONUMENT VOOR OSCAR - 7 (15012013)

“El regreso de Williams B. Arrensberg” heet het beeld van Eduardo Úrculo op de Plaza de Porlier, in de volksmond heet het simpelweg “el Viajero – de Reiziger”. Zodra we het beeld hebben gevonden - de kermis in opbouw onttrok het aan het oog – heeft het “waarom” daarvan geen nadere uitleg meer nodig. De in brons vereeuwigde elegant geklede man leunt nonchalant tegen zoiets als een hutkoffer, zijn lange jas hangt losjes om de schouders, hoed op het hoofd, zijn paraplu staat tegen de koffer aan, een reistas en een kleinere koffer staan ernaast. Heel toepasselijk staat er CUBA op de schutting achter de reiziger, toeval natuurlijk. De mysterieuze Williams B. Arrensberg is terug in de stad. Naar het schijnt was hij bevriend met Úrculo, een schrijver van wie nooit een woord werd gepubliceerd, een vreemdeling die niemand kende en nooit zal kennen. Hij past in het straatbeeld van de terugweg naar het station: opnieuw elegante straten met huizen die fraaie gevels hebben waaruit de zo typisch Spaanse erker steekt. Niet de klassieke houten uitbouw, maar een van metaal. Hetgeen ongetwijfeld heeft te maken met de staalindustrie van deze streek, danwel het voortschrijden van de techniek en/of een voorkeur voor andere beschikbare materialen dan hout. Karakteristiek blijft het én aangenaam voor het oog dat immers ook wat wil. En ook Oviedo wil weten dat het op de Camino de Santiago ligt, de route naar Santiago de Compostela. Kaarten in de straat, Jacobsschelpen in de gevel van een kerk en wegwijzende Jacobsschelpen in het wegdek benadrukken dat heel subtiel.

Heen zijn we met de bus gegaan, terug met het boemeltje. Vanaf de rails worden aan de reiziger toch weer andere dingen onthuld dan die eerder vandaag vanaf een grote weg zichtbaar waren. De gesloten en in verschillende stadia van verval verkerende fabrieksgebouwen hadden we al gezien, net zoals de hoge stenen schoorstenen die niet meer roken. De steengroeves zijn nieuw en de enigszins plompe huizen op poten. Waarom die poten? Geen water te bekennen zoals in het Chileense Chiloë of Ganvié in de West-Afrikaanse republiek Bénin. Later op de dag krijgen we uitleg: het zijn hórreos, traditionele Noord-Spaanse graanschuren. Weer een mysterie opgelost. Op het stationsgebouw van Cancienes een aanklacht tegen de toelagen van het koningshuis: “RECORTES AL BORBON”. Wie een spuitbus weet te hanteren, heeft waar ook ter wereld de aandacht van de reiziger die toch niets anders te doen heeft dan uit het raam te staren. Vlak voor aankomst in Aviles rijdt de trein langs het Centro Niemeyer, dat in de eindvandemiddag zon heel anders wordt belicht.

Vanaf het station wandel ik er voor de laatste keer naartoe en bekijk het vanuit die andere hoek en met ander licht. De bol en de toren komen prominenter in beeld, net als de kade die voor het Centro is aangelegd. Die is bedoeld om in de toekomst cruiseschepen aan te laten leggen. Ik moet er echt niet aan denken dat hier net zoiets zal gebeuren als waarvan ik ooit tijdens het hoogseizoen maandenlang getuige was in San Juan de Puerto Rico. Horreur! Het schip meert af en spuugt duizenden passagiers uit, die vervolgens via het schone witte plein van Oscar, dat zo zorgvuldig vogelpoepvrij wordt gehouden, richting stadscentrum trekken, omdat in het Centro zelf weinig tot niets is te beleven. Behalve dan voor de Niemeyer aficinados. Aan het eind van de werkweek zijn de fabrieken stoom aan het afblazen, “la Cúpula” lijkt bij de erachter gelegen industrie te horen. Het zou zo’n opslagbol voor gas kunnen zijn. In werkelijkheid wordt echter zichtbaar hoezeer het stuk land waarop Niemeyer’s geschenk aan Asturië werd gebouwd, als het ware door de cultuur op de industrie is heroverd.

Onder de voetbrug die de stad met het Centro verbindt, is aan de stadskant een expositie ingericht van foto’s die de bouw van begin tot eind laten zien, zij het met verrekt weinig beelden. Het maakt niet uit, de bezoeker kent immers het eindresultaat? Er tegenover staan verlaten en vervallen huizen en een enkele nieuwe hippe winkel. Toch nog maar eens de brug over om het Centro in het avondlicht te bekijken, hetgeen toch iets andere accenten legt. Het valt mee en het valt wat tegen. Teveel beton en teveel wit, geen activiteit, geen mensen, het leeft niet. Eigenlijk is het complex behoorlijk steriel. Zonder het te willen, beschouw ik Niemeyer’s werk opeens net zoals die Chilenen in Valparaiso dat deden, zij verzetten tegen zijn voorstel voor een cultureel centrum. “Copy, paste”, was hun bezwaar, hetgeen in Avilés toch ook wel enigszins het geval is. De oude Oscar heeft wat met zijn favoriete vormen en elementen geschoven, et voilà: een nieuw uniek ontwerp. Ik besef bijna gelijktijdig in gedachten bezig te zijn met een vorm van heiligschennis. Dit kan echt niet. Niemeyer ligt op zijn sterfbed, ik heb hem ontmoet, hij signeerde de boeken en tijdschriften die ik had meegebracht en lichtte zijn werk toe. Ik bewonder de man als sinds ik in mijn tienerjaren een boekje over de nieuwe hoofdstad Brasilia cadeau kreeg van een bemanningslid van het vliegdekschip Karel Doorman - een potentiële verloofde van mijn oudste zus - die in Brazilië had gepassagierd. Nee, wat in Avilés is te bewonderen, is niet zomaar een niemandalletje. Het is een blijvend monument voor een architect die de wereld zijn leven lang met sprankelende ideeën heeft verrast en verrijkt. Oscar Niemeyer verdient mijn respect en ik geeft het hem zonder enig voorbehoud.

slot