|
OP ZOEK NAAR JAN DE WAARDT - 5 (20042013) In de voetsporen van Vincent van Gogh, Herman Heijenbrock en Jan de Waardt rijden we door de Borinage terug naar Frameries, dat op de grens met Frankrijk ligt. Daar gaat het steenkolenbekken onzichtbaar verder tot aan Rijssel, door de streek die diende als het decor voor “Germinal”, de in 1885 gepubliceerde roman van Emile Zola. Daarin beschrijft hij wat van Gogh enige jaren eerder moet hebben gezien en ondervonden en Jan de Waardt ongetwijfeld eveneens in mei 1898: abjecte armoede, bandeloosheid, mensonwaardige arbeidsomstandigheden, tuberculose, de mijnwerkers – het zwarte leger - die in opstand kwamen, MUITERIJ tegen het kapitalisme - affreux! Tegenwoordig is er zinloos geweld, tegen het eind van de 19e eeuw was er uitzichtloos verzet. De Waardt, die was bevriend met de anarchist en Zola-vertaler Alexander Cohen, moet dit allemaal in het achterhoofd hebben gehad toen hij samen met Heijenbrock naar de Borinage afreisde en in Frameries verbleef. Zijn probleem was modellen te vinden, onze uitdaging is de mijn, het station en het beeld van de mijnwerker te vinden. Uiteraard gaat dat lukken: de weg vragen en nog eens de weg vragen en nog eens. Net zo lang totdat we hebben gevonden waarvoor we hier naartoe zijn gekomen. Of beter nog, berouw komt als zo vaak pas na de zonde, het voorbereidende huiswerk voortaan beter maken. Dan zou ik van tevoren hebben geweten dat toen Jan de Waardt Frameries bezocht daar de volgende mijnen in bedrijf waren: Crachet-Picquery, Grand-Trait, Cour de l’Agrappe en Crachet Sainte Placide. Dan had ik de oude prentbriefkaarten gezien van die mijnen en was naar Frameries gegaan met het idee dat de Charbonnage du Crachet-Picquery best eens de mijn van mijn tekening zou kunnen zijn. De gebouwen, de schoorstenen en de terril die door de Waardt werden vastgelegd – zij het vanuit een ander perspectief – zijn in die samenstelling op geen enkele andere oude foto te zien. Mijn grote twijfel is echter dat er in die mijn op 25 mei 1898 een ramp plaatsvond waarbij 26 mijnwerkers de dood vonden, waarom noemt Heijenbrock dat dan niet in zijn biografie? Zoiets brengt toch een heel dorp in rep en roer en maakt grote indruk? Of waren de vrienden toen al weer verder getrokken? Televisie en radio bestonden natuurlijk nog niet, maar kranten wel. Evenals le Grand-Hornu is ook Crachet-Picquery met hulp van een schep Europees subsidiegeld aan een leven na de dood begonnen, deze mijn huistvest sinds het begin van deze eeuw het PASS, het Parque d’Aventures Scientifiques. Het ziet er alles behalve avontuurlijk uit, de poort is dicht “wegens vakantie” gesloten. Nu het beeldje van de mijnwerker nog en dan zit het veldonderzoek er op. De pombediende van het bezinestation tegenover het avonturenpark, dat ondanks de opknapbeurt verdacht veel wegheeft van een op sterven na dood mijncomplex, wijst ons de weg naar het station. Hoe ik ook zoek rond het gebouw en op de perrons, geen beeld te bekennen. Het staat een paar honderd meter verderop “aan de voet van de terril” is de aanwijzing van een op de trein wachtende passagier, alsof wij in deze omgeving het verschil kennen tussen een terril en een echte heuvel. Op luchtfoto’s is goed te zien dat die hopen mijnafval in het landschap werden gekwakt, hoewel het nu net lijkt of ze er altijd al waren. Blijven zullen ze zeker. We ontmoeten de man in zijn blauwe kiel aan het begin van een omhoog lopend pad op de Terril de l’Agrappe , helm op, mijnlamp in de rechterhand. Deze terril en die van Marcasse en 1.182 andere zijn onderdeel van het 280 kilometer lange Terrilpad – de GR412 – dat loopt van Bernissart op de Franse grens tot aan de mijn van Blegny onder Maastricht. Voor we Frameries uitrijden hebben we nog een korte ontmoeting met El Che! ’t Is de naam van een bar met de kop van de Argentijnse revolutionair op ieder raam, er overheen geplakt is de aankondiging “A VENDRE”. Met de mijnindustrie is kennelijk ook het Waalse revolutionaire elan ten onder gegaan. Weer thuis ontdek ik een door Jeroen Kapelle geschreven artikel over Jan de Waardt. Het is geen lang verhaal, er is niet al te veel over de Waardt te melden buiten zijn vriendschap met Heijenbrock, de reis naar de Borinage, zijn karikaturen en boekillustraties. Het is echter wel voorzien van een foto uit circa 1895 van een serieus kijkende bebrilde jonge man, die door Alexander Cohen als “een op zwart zaad teerende melancholicus” wordt beschreven. De Waardt krijgt onverwacht zowaar een gezicht. In 1900 verdwijnt hij uit beeld, om in 1904 als bruikleengever bij een tentoonstelling van Heijenbrock weer op te duiken. Volgens de catalogus woonde hij toen in Oostvoorne! De tekening en de maker beginnen dicht bij huis te komen. Oostvoorne en Den Briel zijn buurgemeenten. De Waardt overleed in 1909, 38 jaar oud. Cohen vermoedde waarom:“Hij hield, de armen jongen! te veel van jenever, en hij stierf, nog geen dertig jaar oud, aan het overdadig gebruik van Bolsjes, Catzjes, Voorburchies en soortgelijke nationale dranken.” Cohen’s geheugen moet hem in de steek hebben gelaten wat zijn leeftijd betreft, voor de rest heeft hij vermoedelijk gelijk: de Waardt was alcoholist. Hetgeen, volgens mijn onbewijsbare theorie, de tekening van Frameries destijds op de rommelmarkt in Den Briel deed belanden. Vast en zeker geruild voor een fles jajem of om een openstaande caférekening te voldoen en tenslotte door de kleinkinderen van de nieuwe eigenaar weggedaan. Wat moesten ze met zo’n vuile prent? Degene die het bewijsbaar beter weet, wordt vriendelijk doch zeer dringend verzocht om zo spoedig mogelijk contact met mij op te nemen. slot |