OP ZOEK NAAR JAN DE WAARDT - 4 (141212012)

Het is zonder meer bijzonder dat Vincent van Gogh’s ondergronds ooggetuigeverslag uit 1879 anno nu door iedereen die dat wil kan worden gelezen. Geschreven zo rond de tijd dat mijn grootvader, volgens eigen zeggen, als eerste in zijn geboorteplaats op een fiets rondreed. Vincent’s brieven zijn niet alleen bewaard gebleven, maar ook nog eens op vele manieren toegankelijk gemaakt. Ik lees ze in Buenos Aires via de website van het van Goghmuseum en voel me een beetje een voyeur. Een niet voor jou bestemde brief lezen, dat hoort toch niet? Eindeloos zoeken is evenmin nodig, het intikken van een enkel zoekwoord is genoeg. Bij “Marcasse” vang ik meerdere vliegen in één klap: de beschrijving van zijn afdaling in een mand naar de onderbuik van de mijn en wat hij daar zag, als adres van de afzender “chez Jean Baptiste Denis”, de bakker bij wie hij op kamers woonde, de beschrijving van de lage arbeidershuisjes er omheen. Die laatste staan er nog in overvloed én zijn bewoond. Een tandeloze oude vrouw komt naar buiten en spreekt ons toe in het streekdialect, dankzij haar handgebaren begrijpen we dat ze ons naar de poort van Marcasse wijst: “daar woont de eigenaar”. Geen huis of mens te ontdekken. Wél, aan de voet van een terril, een door groen gecamoufleerde boot, een surrealistisch gezicht in een omgeving waar geen water is te bekennen.

Bijna net zo vervallen als de gebouwen van Marcasse is het huis van bakker Denis aan het einde van de Rue Wilson: het staat zo’n beetje op instorten. Op de lila geverfde voorgevel is naast het bovenlicht van de voordeur een – inmiddels totaal onleesbare - gedenksteen aangebracht, de ramen zijn dichtgespijkerd met groen geverfde planken. Op het hek van de zij-ingang hangt de bijna een jaar oude aankondiging van een hoorzitting over de “expropriation pour cause d’utilité publique....” oftewel de onteigening van het pand in het algemeen belang in het kader van het project tot herstel van het “Maison Van Gogh”. De gemeente wil het opknappen en inrichten als een bezoekerscentrum in verband met de rol die van Gogh is toebedeeld in 2015, het jaar waarin het nabijgelegen Mons “Culturele Hoofdstad van Europa” zal zijn. De eigenaar wil vast en zeker meer geld zien. In stukken betere staat verkeert het borstbeeld van Vincent dat in de hal van het Gemeentehuis van Colfontaine staat en een kopie ervan op een rotonde. De buste is een werk van Ossip Zadkine, die werd geboren in het jaar dat van Gogh overleed. Het ingevallen gezicht straalt lijden uit, iets waar Zadkine wel weg mee wist, zie zijn Rotterdamse beeld “De verwoeste stad”. De door van Gogh gefascineerde Zadkine maakte meerdere van Goghmonumenten, zo staat er in Vincent’s geboorteplaats Zundert een beeld van de gebroeders van Gogh met op de sokkel een fragment uit de laatste brief die Vincent aan Theo schreef. Heuvel af, heuvel op. De volgende “bezienswaardigheid” is de “Salon du Bébé”, ooit een danssalon waar Vincent in 1879 voor het eerst voor de kleine protestantse gemeente predikte. Van die ene dancing zijn twee huisjes gemaakt, het linkse ziet er nog enigszins authentiek uit: een met leisteen bedekt dak en lateien van arduin boven de voordeur en de ramen, het rechtse huis heeft jammer genoeg een lelijke nieuwe gevel gekregen. Dankzij de gedenksteen die halverwege boven beide voordeuren is aangebracht en waarop vaag het woord VAN GOGH en het jaartal 1879 zijn te ontcijferen, weten we zeker dat we voor de voormalige kerkruimte staan.

Iets verder heuvelopwaarts ligt tenslotte de “Rampe des Ecoliers”, een trap voor de scholieren waarlangs, zo wordt althans vermoed, Vincent zich verplaatste van huis naar kerk en omgekeerd. Al met al is de oogst nogal schraal: de buitenkant van een vervallen mijn, gevels van huizen met nauwelijks leesbare gedenkstenen, een borstbeeld, traptreden om een heuvel op te klimmen ......... Tenzij men over een bijzonder inlevingsvermogen en een levendige fantasie beschikt, is er eigenlijk niet zoveel te zien. ’t Gaat geloof ik meer om het idee dat de grote meester hier tenslotte definitief besloot om zijn roeping kunstenaar te worden ging volgen. Hij tekende wel in de Borinage, maar daar is nauwelijks iets van bewaard gebleven. Rijksmuseum Kröller-Müller bezit “Mijnwerkers in de sneeuw” uit 1880. Een eenvoudige bijna primitieve tekening die als illustratie mag dienen voor wat hij in december 1878 aan Theo schreef: “Zoo b.v. dezer dagen was het een eigenaardig gezigt met de witte sneeuw ’s avonds tegen het uur der schemering de arbeiders uit de mijnen huiswaarts te zien keeren. Deze lieden zijn geheel zwart als zij uit de donkere mijnen weer in het daglicht komen, gelijkerwijs de schoorsteenvegers zien zij er uit. Hunne woningen zijn meestal klein en veeleer hutten te noemen, verspreid ook langs die holle wegen en in het bosch en tegen de helling der heuvels.” Wij moeten nog even terug naar Frameries en Jan de Waardt. Filip van Le Grand-Hornu, die in het stadje woont, heeft ons nuttige aanwijzingen gegeven. In een oude steenkolenmijn is nu het PASS is gevestigd, het Parque d’Aventures Scientifiques en niet ver van het station staat het beeldje van een mijnwerker. De allerlaatste kompel van Frameries.

wordt vervolgd