|
OP ZOEK NAAR JAN DE WAARDT - 3 (071212012) ’t Doet me best goed om te zien dat het architectonische erfgoed in Hornu met heel wat meer eerbied is behandeld dan bijvoorbeeld het Stedelijk Museum in Amsterdam. Hoewel de getoonde moderne kunst niet eens in de schaduw van het Stedelijk kan staan. De buitenmuren die nog overeind stonden zijn hersteld, zodat het oorspronkelijke uiterlijk van het complex mooi is geconserveerd. En toen was het geld op, waardoor het hier hetzelfde is gebeurd als in het door Oscar Niemeyer ontworpen museum van Niterói. Dat gebouw lijkt op een vliegende schotel die, door de prachtige ligging hoog op een in de baai uitstekende rotspunt, de illusie wekt ieder ogenblik naar de thuisbasis op een andere planeet te kunnen vertrekken. Het grootste deel van de inhoud kan echter zonder meer bij het grof vuil worden gezet en loont zelfs daar de moeite niet om te worden meegenomen. Het geld dat aan collectievorming had kunnen worden besteed - dat is toch de belangrijkste functie van een museum? – is aan de huisvesting ervan uitgegeven. Daarna wordt met gespeelde verbazing geconstateerd dat er helaas geen financiële middelen beschikbaar zijn om aankopen te doen om de collectie aan te vullen of uit te breiden. En aldus verwordt het zo gewenste meedoen op hoog niveau tot meedoen op het tweede of zelfs derde plan. De achteraf gelegen crypte van de familie De Gorge ligt er rustig en goed verzorgd bij. Op ieder graf een schedel met gekruiste beenderen en het familiewapen: een klassieke bijenkorf waar drukdoende bijen omheen zoemen. Symbolen van de arbeiders die ervoor zorgden dat de honingpotten van de familie De Gorge goed gevuld bleven? Door een hek zijn er tegenover de huizen zichtbaar die voor de hogere echalons van de mijn werden gebouwd. Sommige totaal vervallen, dichtgespijkerd en onbewoond, andere gerestaureerd en bewoond. Wat nog overeind staat van de voormalige machinewerkplaats wordt terecht “de kathedraal” genoemd, doodgewoon omdat het sterk aan de ruïne van een kathedraal doet denken. Op de hoge grijze zuilen rust het kale boogwerk dat het verdwenen dak ondersteunde, in plaats van een toren staat er uiteraard een forse schoorsteen die vast bij het naastgelegen ketelhuis hoorde. Aan de achterzijde van de werkplaats ligt op het gazon een hoop afval: brokken metselwerk, stukken van gebroken hardstenen grijze zuilen, roosters, tandwielen, een verroest aandrijfdraaiwiel. Ik kijk er naar en nog eens, de twijfel slaat toe. Is dit nu een puinstort of een kunstwerk? Wellicht is het een installatie die, geïnspireerd door het verleden van dit complex, bestaat uit historische materialen die er sowieso voor het oprapen lagen? “Nederlandse bezoekers vertellen we altijd graag dat Vincent van Gogh hier in de streek heeft gewoond”, zegt Filip van “het onthaal” van Le Grand-Hornu. Hij is er bijgehaald door collega Martine “omdat Filip beter dan ik in staat is u uitleg te geven in het Nederlands”. Een primeur, nooit eerder heb ik in Wallonië meegemaakt dat er moeite werd gedaan om onze moedertaal te spreken, terwijl wij – op de automatische piloot – het normaal vinden om hier Frans te moeten spreken en dat ook deden. Opeens krijgt de zoektocht naar Jan de Waardt een andere richting en een nieuwe dimensie. Ooit was domineeszoon van Gogh in de Borinage werkzaam als lekenprediker en moest hij zijn roeping om kunstenaar te worden nog gaan volgen. We krijgen een routebeschrijving “Plaatsen in verband met Vincent van Gogh” om te kunnen ontdekken waar hij tijdens de jaren 1878-80 heeft gewoond, heeft gewerkt, heeft rondgewaard. “Verlaat de Site van le Grand-Hornu in de richting van Wasmes (naar links), door het amfitheater Hadès heen”, zo luidt de eerste aanwijzing. Alsof we aan een puzzelrit beginnen. Het amfitheater blijkt een afzichtelijk en slecht onderhouden wooncomplex te zijn dat de vorm van een amfitheater heeft, iets dat vooral op luchtfoto’s mooi is te zien. Enigszins bizarre betonnen gevels die het een moderne uitstraling moesten geven, een voorterrein met geparkeerde auto’s. Uit oude persberichten begrijp ik dat het een mislukt project is, sociale woningbouw van de ergste soort, de naam Hades waardig. De somber ogende gebouwen van de in de jaren 50 van de vorige eeuw gesloten steenkolenmijn Marcasse zijn totaal vervallen, met uitzondering van het piekfijn bijgehouden monument voor de bij een mijnramp in 1953 omgekomen mijnwerkers en een collage van kleurrijke muurschilderingen die zijn opgedragen aan Vincent van Gogh. In de legendarische briefwisseling tussen de broers Vincent en Theo komt ook de mijn van Marcasse aan de orde. In een brief gedateerd april 1879 schrijft Vincent: “Niet lang geleden heb ik een zeer interressanten togt gemaakt, ben toen namelijk 6 uur lang in een mijn geweest. En wel in een van de oudste en gevaarlijkste mijnen van den omtrek, Marcasse genaamd. Die mijn staat in slechten naam van wege dat er velen omkomen.” Hij beschrijft hoe hij tot 700 meter afdaalde, over de kinderarbeid door zowel jongens als meisjes, over de ondergrondse paardenstallen én over de inrichting van de mijngangen: “Verbeeld U eene reeks van cellen in een vrij naauwen en lagen gang, gestut door ruw houtwerk. In ieder van die cellen is een arbeider in een grof linnen pak, groezelig en bezoedeld als een schoorsteenveger, bij het flaauwe licht van eene kleine lamp bezig om de steenkool los te hakken. In sommige van die cellen staat de arbeider regtop, in anderen ligt hij plat op den grond. De inrigting is min of meer als de cellen van een bijenkorf.” Zonder het wellicht te weten beschreef Vincent van Gogh het familiewapen van de mijneigenaren uit Hornu! wordt vervolgd |