|
OP ZOEK NAAR JAN DE WAARDT - 2 (01122012) De taalgrens over. Henegouwen wordt Hainaut, Doornik wordt Tournai, de heel erg smalle en tamme Schelde heet hier l’ Escaut. Het landschap blijft echter golvend Vlaams, voor mij althans. De Borinage is al lang niet meer de vuile streek die het was. De kolenmijnen en aanverwante industrie zijn op de fles, afgetakelde en soms tot iets anders omgebouwde fabriekgebouwen, slaperige dorpen, kaarsrecht gegraven kanalen zonder zichtbaar scheepvaartverkeer – er hoeven immers geen kolen meer te worden afgevoerd – en werkloze sluizen herinneren aan de industriële hoogtijdagen van weleer. En dan die onverwacht in het landschap opduikende groene heuvels, die geen natuurlijke heuvels zijn maar de door de natuur in de loop der tijd gecamoufleerde sintelbergen van de kolenmijnen. De laatste Waalse mijn, die van Farciennes, ging in 1984 dicht. Frameries is een stadje zoals zo vele, het stelt dus niet al te veel voor. Rijen kleine arbeidershuisjes, de kasseien van vroeger steken hier en daar door het versleten asfalt dat er naderhand overheen werd gewalst. Wat onze ogen zoeken, komen ze niet tegen. We zien tussen de huizen door wel het wiel van de lift van een mijnschacht, de weg er naartoe kunnen we echter niet vinden. Geen enkele verwijzing naar het verleden, helemaal niets dat aan de tekening van Jan de Waardt uit mei 1898 herinnert. Zat richtingaanwijzers naar “Le Grand-Hornu”, dat wel. Door vrienden in Brugge was ons aangeraden daar beslist naar toe te gaan als we in de buurt zouden zijn en dat zijn we nu opeens. Dat het onbedoeld is, maakt verder niets uit. Een groot mijncomplex dat er niet als een mijncomplex uitziet, eerder als een klooster of seminarie, een oude kazerne of zo. Het ligt in een woonwijk en we zoeken tevergeefs naar een schacht. Waar we voor staan, werd gebouwd tussen 1810 en 1830 en is derhalve ouder dan het Koninkrijk België. In 1810 maakten de Zuidelijke Nederlanden deel uit van het Franse Keizerrijk en tot 1830 van het Koninkrijk der Verenigde Nederlanden. Tijdens die Franse Tijd (1794 – 1815) begon in Wallonië de industriële revolutie die het tot een van de belangrijkste industriegebieden van Europa zou maken. De kolenmijn Le Grand-Hornu werd ontwikkeld door de uit Rijssel afkomstige zakenman Henri De Gorge, die in 1810 de concessie tot ontginning verwierf. Handig voor iemand die een contract had om kolen aan het leger van Napoleon te leveren. De buitenschil van het complex heeft de vorm van een vierhoek die wordt gevormd door stevige gebouwen en muren, de binnenkant heeft de ovale vorm van een paardenrenbaan waar stukken elegantere gebouwen rondom een groen binnenterrein zijn gegroepeerd. Hoewel dat voorheen vast en zeker zwart van het kolenstof zal zijn geweest en “functioneel” vast een betere beschijving was dan “elegant”. In het midden van het gazon staat een groot beeld van De Gorge, een man die zijn tijd ver vooruit moet zijn geweest als je ziet wat hier allemaal is gebouwd en hoe. Niet alleen de grote fabrieksgebouwen, maar ook arbeiderswoningen en huizen voor het kader en voor zijn eigen familie. Dat laatste heette en heet – hoe kan het anders – Château De Gorge. Een beetje overdreven, want de kasteelheer overleed voordat het klaar was en heeft er nooit in gewoond. Die oude door De Gorge bij het fabriekcomplex gebouwde woonwijk is een voorbeeld van destijds ongebruikelijk sociaal ondernemerschap. Maar ook, zoals naderhand op veel andere plaatsen gebeurde – bijvoorbeeld Heijplaat –, geboren uit noodzaak omdat er in de directe omgeving van de mijn geen huisvesting beschikbaar was voor de arbeiders. Le Grand-Hornu werd in 1954 gesloten in het kader van de door de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal – EGKS – geïnitieerde sanering van de mijnindustrie. De voorloper van de Europese Gemeenschap die, zo verklaart het bord bij de entree, ruim 50 jaar later met Europese regionale ontwikkelingssubsidies het ernstig in verval geraakte complex een tweede leven schonk. De gebouwen bieden nu onderdak aan de Vereniging Grand-Hornu Images, die zich bezighoudt met design, architectuur en toegepaste kunst, en het MAC, het museum voor hedendaagse kunst van de Federatie Wallonië-Brussel. Dat de subsidiekraan langdurig en voluit heeft opengestaan, is aan alle kanten zichtbaar in de renovatie en herinrichting van het complex. Daarvoor werden dure materialen en alles behalve simpele oplossingen voor eenvoudige zaken zoals bijvoorbeeld deuren gekozen. Een paar van die deuren, van de hand van de Waalse beeldhouwer Félix Roulin, zijn gemaakt van cortenstaal en brons met in het midden een “slordige” brede breuk die een mijngang zou kunnen symboliseren. Een vermoeden dat snel wordt ontzenuwd, de lichaamsdelen die er in zitten opgesloten zijn overduidelijk vrouwelijke borsten en billen. Achter die deuren is wel een mooi ingerichte tentoonstelling van glaskunst te zien die “Le Feu Sacré” heet. Een referentie aan het heilige vuur dat brandt in de voormalige glasfabriek van Meisenthal in Lotharingen waarin sinds 1992 het Centre International d’Art Verrier is gevestigd, een centrum voor glaskunst. Deels unieke glazen voorwerpen, soms oogstrelende toegepaste kunst in vele vormen en kleuren. Een selectie kerstballen, vazen en vaasjes, serviesgoed, een installatie van 220 glazen balonnen van Michel François, de met kwik gevulde poppen van Françoise Pétrovich, de in de vrije ruimte hangende kwallen – die in het Frans zo mooi “méduses” heten – van Yves Chaudouët. De Borinage en de kolenmijnen lijken in de verste verte niet meer op die Herman Heijenbrock en Jan de Waardt in 1898 moeten hebben gezien. wordt vervolgd |