C’EST TRISTE MAIS.... (17102012)

Het Koninklijk Museum voor Midden Afrika in Tervuren begint steeds meer te lijken op een ter dood veroordeelde misdadiger die keer op keer uitstel van executie krijgt. De sinds lang aangekondigde verbouwing is al een paar keer uitgesteld vanwege de financiële crisis en/of de langdurige Belgische kabinetsformatie. Ik kan er niet mee zitten. Onderweg naar vrienden in de Franse Ardennen, wordt de reis steevast ter hoogte van Brussel onderbroken voor een bezoek aan dit museum dat lang geleden mijn hart heeft gestolen. Dat was in de tijd dat ik in Nigeria woonde en werkte en door West-Afrika reisde als daar tijd en gelegenheid voor was. De collectie is grotendeels afkomstig uit het voormalige Belgisch Congo, een land dat ik nooit heb bezocht. Niet dat ik dat niet zou willen, een bootreis over de Kongo, de op een na langste rivier ter wereld, lijkt me een unieke ervaring. Lees bijvoorbeeld de boeken “Terug naar Congo” van Lieve Joris, Joseph Conrad’s “Heart of Darkness”, “The River Congo” van Peter Forbath of “Facing the Congo” van Jeffrey Tayler maar eens en je bent verkocht. Er is natuurlijk veel meer over de Kongo Vrijstaat, Congo, Zaïre en/of de Democratische Republiek Congo geschreven, tot en met het tegenwoordig soms als racistisch ervaren “Kuifje in Congo”. Over de kolonisatie, over de rol van de journalist en ontdekkingsreiziger Henry Morton Stanley, over de Conferentie van Berlijn van 1884 – 85 tijdens welke Afrika door de Europese grootmachten werd verdeeld. Over de uitbuiting door Koning Leopold II wiens privé-eigendom de Congo was geworden en dat zo treffend door Adam Hochschild werd opgetekend in “King Leopold’s Ghost”. Over de post-koloniale uitbuiting door Mobutu Sese Seko en Joseph Kabila en hoe de gewone man dat allemaal overleeft. Dat laatste is prachtig en met veel gevoel voor humor verwoord zoals alleen een ervaringsdeskundige dat kan doen in “Congolese Wiskunde” van In Koli Jean Bofane. En al het voorafgaande werd boeiend samengevat door David van Reybrouck in “Congo, een geschiedenis”. “C’EST VRAI QUE, C’EST TRISTE MAIS…. EN EIGENLIJK MOET HET MUSEUM VOLLEDIG GEREORGANISEERD WORDEN“ is de tekst die in een schilderij van de Congolees Chéri Samba is te lezen. Naast die aanmoedigende woorden staat met de armen over elkaar en goed herkenbaar directeur Guido Gryseels afgebeeld. Als iemand vindt dat het museum op de schop moet, is hij het wel. Gryseels is namelijk van mening dat er te weinig aandacht aan het post-koloniale Afrika wordt besteed. Dat is helemaal waar, maar ik vind dat het vooral zo moet blijven. En net als veel van zijn egotrippende collega museumdirecteuren vindt hij natuurlijk dat er moet worden verbouwd en dat de collectie op een modernere manier moet worden gepresenteerd. Ook daar ben ik het totaal mee oneens. De grote charme van het museum is nu juist die uit een voorbij tijdperk daterende presentatie, die zo mooi aansluit bij een koloniale collectie die is bijeengebracht in een evenzeer tot het verleden behorend tijdperk. Binnenkort zal de boel uiteindelijk toch voor een jaar of drie op slot gaan. De laatste kans om nog een keer te genieten van het museum in oude staat, wordt met beide handen aangegrepen en zowaar extra beloond: bij hoge uitzondering is de gewoonlijk gesloten kelder tijdelijk opengesteld voor het publiek. Een steile trap af. Er moeten daar vloeren zijn doorgezaagd, de stompjes van de steunbalken zijn zichtbaar. Lange rijen kasten met eikenhouten deuren met of zonder kaartje in de daarvoor bestemde houder. In ieder geval is de inhoud onzichtbaar. Een kijkje in de met een traliedeur afgesloten ruimte waar op de schappen een paar honderd van de neksteuntjes liggen die het museum bezit. Op de muren zijn “19.741 recent gedigitaliseerde” kleine foto’s geplakt die de koloniale geschiedenis op een geheel eigen wijze in beeld brengen. Foto’s die werden gemaakt door hen die ieder om hun eigen reden – ambtenaar, militair, missionaris, ondernemer - naar de Congo trokken. Ontelbare rekken vol met koppen van gazelles, buffelschedels, olifantenschedels met en zonder de ivoren slagtanden en wat dies meer zij. Alles keurig opgehangen aan ongetwijfeld speciaal daarvoor gemaakte “kapstokken”. Het meeste werd naar het museum gestuurd door kolonialen die dachten hun land daarmee een grote dienst te bewijzen. In de één van de zalen staat trouwens een daarvoor door een van hen – exp. Felix Anciau - gebruikte kist te kijk, nu dus een museumstuk. Een tafel met gietvormen van hoofden van de destijds in Leopoldstad wonende “rassen, die ruim een eeuw geleden door de beeldhouwer Arsène Matton werden gemaakt in opdracht van het Ministerie van Koloniën. Voor mij bestaat de grootste verrassing echter uit een paar stukken roestig ijzer, overblijfsels van wat een demonteerbare boot was. Lange tijd werd aangenomen dat het delen van de “Lady Alice” waren, de sloep waarmee Stanley het Victoriameer en het Tanganyikameer verkende. Totdat bleek dat zijn sloep van Spaans cederhout was gemaakt waardoor de stukken metaal naar het depôt verdwenen. Die gekke demonteerbare boten komen voor in minstens twee boeken die ik heb gelezen: in “Mrs. Livingstone”, de biografie van David Livingstone’s echtgenote Mary, en in Giles Foden’s “Mimi and Toutou go forth” dat speelt tijdens de Eerste Wereldoorlog. Toen werd vanaf de Belgische kant van de Grote Meren de vijand aan de overkant bestreden in wat destijds Duits Oost-Afrika heette. Die zielige resten die op de vloer liggen, zijn teleurstellend klein en stellen zo weinig voor dat de fantasiebeelden in mijn hoofd van die over grote afstanden getransporteerde boten wreed worden gewist. Mede daarom kijk ik absoluut niet uit naar het aan de tijdgeest aangepaste museum, omdat ik de beelden van hoe het er Anno Nu uitziet voor altijd wil bewaren.