|
CHILEENSE COLLAGES – 46 (16032013) Epiloog - Zondag, 3 februari 2013 – Rotterdam. . “Moet je absoluut zien. Nu op Nederland 2. Over Chili in “Andere Tijden””, is de spoedboodschap die ik ontvang maar pas lees als het te laat is. “Uitzending gemist” brengt uitkomst. Het programma is gewijd aan “het witte goud”, aan de komst van de chilisalpeter in Groningen, waar deze meststof aan het begin van de vorige eeuw de akkerbouw een geweldige sprong voorwaarts liet maken. Beelden van een oud salpeterschip - een zeilschip! - in de haven van Delfzijl. Na een tocht van 124 dagen kwam daar in 1905 de eerste met 3.700 ton chilisalpeter beladen viermaster aan. Het Panamakanaal zou pas negen jaar later worden geopend. Het schip was dus om Zuid-Amerika heen gezeild, waarschijnlijk rond Kaap Hoorn. Staand in een aardappelveld zingen een accordeonist en een zanger in het plaatselijke dialect – wat een bof dat het ondertiteld is – een zelf gecomponeerd lied over de welvaart die de chilisalpeter de Groninger boeren bracht: “Dat witte goedje dat brandt in mijn hand, chilisalpeter, wit goud voor ons land”, luidt het refrein. De opbrengsten stijgen spectaculair door betere en frequentere oogsten, boeren worden rijk en bouwen grote huizen, de strokartonindustrie groeit enorm omdat het niet meer nodig is om het stro onder te ploegen zoals voorheen te doen gebruikelijk was. “Chili”, zegt een bijna 100 jarige landbouwer, “we wisten toen niet eens dat het een land was.” Net zoals wij tijdens het bezoek aan wat in de Atacamawoestijn nog overeind staat van de salpetermijnen Santiago Humberstone en Santa Laura geen flauw benul hadden dat er enig verband bestond tussen Groninger welvaart en het witte spul dat in de droogste woestijn op aarde werd geproduceerd. Epiloog - Zaterdag, 16 maart 2013 – Buenos Aires. Vandaag precies een jaar geleden arriveerde mijn reisgenoot in Buenos Aires om na een korte adempauze samen verder te reizen naar Ushuaia en Kaap Hoorn. Naar de meest zuidelijk gelegen stad ter wereld, volgens Argentijnen “El Fin del Mundo”, en de begin 1616 door onze landgenoten Willem Schouten en Jacob le Maire voor het eerst geronde zuidelijkste punt van Zuid-Amerika. Nog meer vaderlandse geschiedenis op het eiland Chiloë dat in 1643 door een expeditie onder leiding van Hendrik Brouwer werd veroverd. Brouwer deed in opdracht van de West-Indische Compagnie een haalbaarheidsonderzoek naar de vestiging van een bruggenhoofd aan de westkust van Zuid-Amerika, aan de noord-oostkust bezat de WIC in Pernambuco reeds de kolonie Nieuw Holland. Brouwer overleed kort daarna en niet veel later heroverden de Spanjaarden hun “bezittingen”, zoals de Portugezen in 1654 de Nederlanders na 24 jaar Brazilië uitzetten. In beide landen heerst er bijna vier eeuwen later nog een soort heimwee naar de korte vaderlandse aanwezigheid: “Als de Nederlanders hier waren gebleven in plaats van de Portugezen...”, hoorde ik vaak in Brazilië, “als de Nederlanders waren gebleven in plaats van de Spanjaarden...”, hoorde ik nu in Chili. Het liefst zou ik dan reageren met “as is verbrande turf”, maar hoe zeg je dat nu in het Portugees of het Spaans? Dus glimlachte ik slechts alsof mijn nationale trots was gestreeld. In Chileens Patagonië, niet ver van Torres del Paine, liggen mijnenvelden langs de grens met Argentinië. In het noorden, niet ver van Arica en Putre, liggen mijnenvelden langs de grenzen met Peru en Bolivia. Die mijnen zijn nooit geruimd na conflicten en oorlogsdreiging tijdens de jaren 70 van de vorige eeuw, je weet maar nooit. Geen wonder dat vorige maand Chileense matrozen in opleiding werden gefilmd terwijl ze “we zullen de Argentijnen afmaken, de Bolivianen doodschieten en de Peruanen de keel doorsnijden” zongen. Er wordt verontschuldigend en gemaakt verontwaardigd gereageerd als die beelden uitlekken en worden getoond door onder andere de BBC. Maar die jongens gaan toch niet spontaan allemaal tegelijkertijd dezelfde woorden schreeuwen? Volgens één reactie waren ze trouwens vergeten “en we zullen hun bloed drinken!” te zingen. Het past helemaal bij het overdreven Chileens patriotische gedoe dat af en toe ons deel werd tijdens de reis. De filmbeelden van die zingende matrozen en de rijkdom die Groninger boeren verwierven dankzij het gebruik van chilisalpeter zijn een onverwachte en welkome aanvulling op wat ik in 45 Chileense Collages met woorden heb proberen te beschrijven. En daardoor verschijnen er zomaar beelden op het netvlies waarvoor tijdens het “plak en knipwerk” net geen ruimte of goede plek was in die collages. Berouw komt nooit eens vóór de zonde. Zoals die kunstwerken in het zuiden waarin wol – iets dat daar volop beschikbaar is - is verwerkt: paaltjes met over dwars prikkeldraad waarin ruwe wol is blijven hangen. Ze hadden kant en klaar gestolen kunnen zijn uit de omheinigen langs de weg die we net waren gepasseerd. De vlag van Patagonië met het Zuiderkruis die je overal in het zuiden zag, een vlag die in het verleden jarenlang was verboden. De sterrenbeelden die mijn reisgenoot mij leerde kennen en herkennen en die ik tot mijn schande ondertussen weer ben vergeten. De ontdekking dat de Chileense Carménère bijna net zo lekker smaakt als de Argentijnse Malbec. Dat hoewel de Vuurlanders zijn uitgestorven, hun artistieke uitingen postuum worden geïmiteerd door de hedendaagse bewoners van Tierra del Fuego. Alsof het hun eigen culturele erfgoed betreft. En tenslotte het op het ritme van de opeens stevige deining rinkelen van de zeevast in rekken boven de bar hangende glazen die aankondigden dat de “Stella Australis” de Stille Oceaan had bereikt. Het klonk op die dag als muziek in mijn oren. En een jaar later nog steeds. slot |