CHILEENSE COLLAGES – 43 (14092012)

Zondag, 15 april 2012 – Bolivia. Gisteravond bewonderden we de vulkaan Licancabur vanuit het door de natuur gevormde amfitheater van de Valle de la Luna aan de Chileense kant van de grens, vandaag hebben we het grootste deel van de dag de Boliviaanse kant van deze slapende reus in beeld. Omdat we behoorlijk hoog in de Andes zijn, lijkt de vulkaan een stuk kleiner, maar torent altijd nog een flink stuk boven ons uit. We stoppen bij de Laguna Polkés, waar warm water opborrelt, een natuurlijke badkuip. Dat heeft een soort aantrekkingkracht die aan mij voorbijgaat, doch niet aan de meeste andere toeristen. Die hebben zwemkleding bij zich en gaan in het ondiepe warme water zitten alsof ze weken geleden voor het laatst een bad hebben genomen. Een half uur krijgen ze voordat we door moeten naar de Laguna Colorado. Ruig terreinrijden, daar is onze chauffeur goed in. Om zijn passagiers af te leiden wordt er niets anders dan nostalgische jaren zeventig en tachtig muziek gedraaid. “Uptown Girl” van Billy Joel en Cat Stevens’ “Lady d’Arbanville” onder andere. “Jatwerk”, beweert Francisco met grote stelligheid van dit laatste liedje, het is een eeuwenoude Boliviaanse melodie die hij van ons heeft gestolen. Weer wat triviaals bijgeleerd. Als we de Laguna Colorado in zicht krijgen, stellen we met enig ongeloof vast dat het water inderdaad rood is. Hoe kan dat nou? Het hooggelegen zoutmeer – 4.278 meter – bevat rood sediment en algen die het roze kleuren! En geheel in stijl zijn er duizenden flamingo’s te zien die dezelfde kleuren hebben. Uitermate vredig is het hier, geen andere toeristen, geen vliegverkeer, geen auto’s, scooters, brommers en wat dies meer zij. Alleen maar een besneeuwde vulkaan die zich spiegelt in het water en honderden vogels die onafgebroken hun snavel door het water halen om zich te voeden. Het zijn met name niet al te grote James flamingo’s, die in groepen leven en zijn te herkennen aan hun zwarte staartveren. Of ze hebben last van ADHD of zijn gewoon onrustig van nature, ze zijn letterlijk nog al opvliegend. Het “landen en opstijgen”, beide met gebruik van de lange poten die zo dun zijn als lucifers, is een fascinerend gezicht in een zeldzaam mooi decor.

Na de eenvoudige lunch in een gehucht met een handvol adobe-huizen, waar ver weg van de bewoonde wereld één ervan zelfs is behangen met zo’n abjecte reclame voor het in Bolivia verboden Coca Cola, rijden we naar het geothermische veld dat zo mooi “Sol de Mañana” heet, Ochtendzon. Wat daar is te zien, is – alweer - werkelijk uniek. Het is alsof je door een veldkeuken loopt waar water en voedsel wordt gekookt. Uit kleine gaten in de aardkorst komen met grote kracht pluimen stoom te voorschijn zoals uit een snelkookpan of een fluitketel waarin het water het kookpunt heeft bereikt, slechts het fluiten ontbreekt. Daarnaast staat er in vele gaten een “kleipap” te pruttelen, alsof er potten op een vuur staan. Het is zoals bij een wat dikkere griesmeelpap die bijna aan de kook is: door de hitte van het vuur ontstaan er bolletjes aan de oppervlakte die om de beurt uit elkaar spatten en daarbij een zacht ploppend geluid maken. Grijs is de kleipap veelal en af en toe wat rozig. Het is iets waarvan ik bijna geen genoeg kan krijgen. De weg voert door een rood gekleurd gebied waarin grote zwarte stenen liggen, er ligt ijs op en naast de weg, de temperatuur moet onder nul zijn. Voor het eerst vandaag scherpe blinde bochten, iedere keer als we zo’n bocht naderen claxonneert Francisco drie keer en slaat een kruisje. Een ritueel dat helpt, we komen niet een keer tegemoetkomend verkeer tegen! Tussen de Sol de Mañana en de Laguna Verde, het slotakkoord voor vandaag, passeren we het hoogste punt van onze reis: 5.000 meter! We rijden hier dan wel niet over het dak van de wereld, maar toch zeker over de zolder. In tegenstelling tot onze Duitse medepassagiers, hebben wij weinig last van de behoorlijk ijle lucht. Met een onderbreking van 24 uur in Iquique verblijven wij immers al een week op dit hoge niveau.

De water van de groene lagune is eerder lichtblauw, er drijven lange witte zoutstrepen op de oppervlakte. “Fleur de Sel”, volgens mijn culinair vele malen deskundiger reisgenoot. Aan de overkant van de lagune de schaduwkant van de deels in Bolivia en deels in Chili liggende Licancabur. Op de oever waar wij lopen, hebben eerdere bezoekers hun sporen achtergelaten in de vorm van gestapelde stenen. Overal om ons heen staan die dingen, die op andere plekken ook al opvielen, we vinden het helemaal niks. Het is zo’n rage als een foto maken terwijl je met je vingers een V-teken maakt. Het beeldenstormersbloed van mijn voorouders, dat vast en zeker ergens diep in mijn DNA zit, begint op te spelen, met beide voeten sloop ik zoveel mogelijk van die ondingen. De dagtocht zit er op, terug naar de grenspost. Onderweg daar naartoe, jawel door de Salvador Dalíwoestijn, concluderen we dat wat we vandaag hebben gezien stukken indrukwekkender was dan de noordelijke Chileense woestijn. Het is in Bolivia veel serener, afwisselender en zeker ongerepter. Om het land te mogen verlaten, moet in ruil voor een stempel 1.500 Chileense Pesos worden overhandigd aan de grensbeambten. Een reçu? Nee, daar doen we hier niet aan......

wordt vervolgd