CHILEENSE COLLAGES – 41 (05092012)

Zaterdag, 14 april 2012 – El Tatio - Atacamawoestijn - Calama. Van de natuurverschijnselen die zich boven en onder de grond afspelen begrijp ik helemaal niets. Waarom wordt het juist vlak voor zonsopgang voortdurend kouder? Korte tijd nadat we op de parkeerplaats vlak bij de geysers zijn gearriveerd, zakt de temperatuur van 5 tot ongeveer 15 graden onder nul. Waarom is het ondergronds zo hartstikke heet en aan de oppervlakte zo stervenskoud? Zelfs door mijn thermische handschoenen en de idem muts heen is de kou voelbaar. Iets dat me zelfs in Tierra del Fuego of op Kaap Hoorn – op de rand van Antarctica – niet is overkomen. Waarom borrelen – hoewel het meer op rochelen lijkt - deze geysers slechts, in plaats van in een fontein te veranderen zoals in IJsland of in het Yellowstone Park? Zo’n geyserveld is vele malen mysterieuzer in het schermerlicht van een beginnende dag, zodra het eenmaal licht is, is de magie weg. Dan is die krater niet meer dan een grote kale vlakte waar je rookslierten – meer zijn het niet – ziet verwaaien. Maar wel vlakte die is omgeven door hoge met sneeuw bedekte vulkaantoppen. Het enige dat de kaalheid onderbreekt is een roestende installatie die wel wat wegheeft van een kleine destillatietoren. Die was ooit bedoeld om iets nuttigs te gaan doen met alle gratis geothermische energie die hier vrijkomt. Tevergeefse moeite zo te zien.

We maken geen rechtsomkeert naar San Pedro, we blijken een dagvullend programma te hebben! Achteraf bezien bestond dat uit het met een grote omweg terug rijden naar San Pedro. Als we de afgelopen dagen niet al zoveel woestijn en met sneeuw bedekte bergtoppen hadden gezien en niet hier en daar een charmant Amaya-dorpje met een stralend wit gekalkt kerkje hadden bezocht, zou het beslist meer de moeite waard zijn geweest dan wat we nu aan het doen zijn. Cristian, onze gids, laat ons in het dorpje Caspana uitstappen, geeft aan hoe we een mooie wandeling kunnen maken en waar hij ons over ruim een uur zal komen ophalen. Het dorp ligt in een klein dal waar een riviertje doorheen stroomt, een oase en zeer pittoresk. Van hoog naar laag zijn terrassen zoals de Inca’s die aanlegden, de irrigatiekanalen idem dito. Volgens het bord aan de dorpsgrens worden hier onder andere appels, peren, abrikozen en cactusvijgen verbouwd. Die gaarden moeten een stuk buiten de kern liggen, want zien doen we ze niet. Vredig is het zeker, te beleven is er niets. We hebben geen zin om vanuit het dal de steile wand aan de andere kant te beklimmen en wandelen langs het water terug in de richting van een museum. Volgens een bord althans. Het zit stevig op slot, voor zover ik kan zien is het alleen op werkdagen open. Rest ons niets dan te bewonderen wat er in de open lucht is te zien: huizen met strodaken, buitenmuren van rotsblokken, hier en daar een klei-oven, versierde kruizen en cardón-cactussen, die de grootste ter wereld zijn.

Terug in de woestijn, rijden we over niet geasfalteerde wegen met in de bermen nog al wat “animas”, kapelletjes en kruizen ter herdenking van dodelijk verongelukte verkeersslachtoffers. In de Flevopolders heb je “polderblindheid”, zou er in de vele malen grotere Atacamawoestijn zoiets als “woestijnblindheid” voorkomen? Er staan wel erg heel erg veel van die dingen langs de kaarsrechte weg met vrijwel geen verkeer. Eén ervan, die de herinnering aan Nelson Lucero Varas levend houdt – is opgericht door zijn collega’s en heeft naast een versierd kruis, een model van een kerk en kunstbloemen, een buste van Nelson die bestaat uit de afsluiter van een ketel of vat met daarop een glazen stolp. Toepasselijk en inventief, Nelson was en zijn collega’s waren/zijn onderhoudmonteurs van het ketelhuis van een nabijgelegen kopermijn. Aparte huisvlijt. Na een flitsbezoek aan het kerkje van Chiu Chiu, inderdaad: wit gekalkte buitenmuren en torens, deuren die met leren “veters” worden bijeen gehouden – houtje-touwtje deuren? - en een plafond van het hout van de cardón-cactus, eenvoudige houten altaren met eenvoudige houten heiligenbeelden. Het is het oudste katholieke kerkje binnen de huidige Chileense grenzen, maar zeker niet het mooiste.

We gaan lunchen in Calama. Onderweg passeren we de afslag naar het door heuvels aan het gezicht onttrokken spookstadje Chuquicamata, waar één van de allergrootste openluchtmijnen ter wereld ligt. Ernesto Guevarra en Alberto Granado bezochten het toen ze in 1952 de Atacamawoestijn doorkruisten tijdens hun legendarische reis door Zuid-Amerika. De mensonterende arbeidsomstandigheden die er heersten, maakten grote indruk. Ik herinner me goed dat ik na het zien van “Diarios de Motocicleta”, de film die Walter Salles op basis van Che’s dagboek maakte, ervan overtuigd was dat Ernesto Guevarra in “El Che” veranderde na zijn ervaringen in Chuquicamata. Het stadje kan worden bezocht, maar niet op zaterdag. Verschrikkelijk jammer. Enige jaren geleden moesten alle inwoners naar Calama verhuizen omdat de gevaarlijke stoffen die er in de lucht hingen hun gezondheid bedreigden, hoewel er niet hardop werd gezegd dat de grote kopervoorraden onder de stad de echte reden waren. Zolang er immers mensen woonden, kon de mijn niet die kant op worden uitgebreid? In Calama heerst zichtbare welvaart, werkloosheid is er nauwelijks. Het gerucht gaat dat iedere inwoner tenminste één auto heeft en de lonen hier de hoogste van Chili zijn. Van de straten vol met dezelfde rijtjeshuizen druipt eentonige saaiheid af, maar het leven moet stukken aangenamer zijn dan toen “El Che” hier 70 jaar geleden werd geboren.

wordt vervolgd