CHILEENSE COLLAGES – 38 (23082012)

Donderdag, 12 april 2012 – Oficina Salitrera Santa Laura - Iquique. Net zo als de treinen gevuld met zakken salpeter vroeger deden, rijden wij na het bezoek aan de Oficina Santa Laura naar Iquique. Een stad die ik alleen van naam ken vanwege de Zeeslag van Iquique die op 21 mei 1879 plaatsvond en tijdens welke het houten Chileense korvet “Esmeralda” door de Peruanen tot zinken werd gebracht. Geen bemanningslid overleefde het. Iquique was toen nog een Peruaanse haven die werd aangevallen door de Chileense marine. Zelfverdediging dus. Die 21ste mei is in Chili naderhand tot nationale feestdag verheven – el Día de las Glorias Navales – die ieder jaar met veel militair vertoon wordt gevierd. Zonder er verder bij na te denken, stonden we minder dan een week geleden in Valparaíso nog voor het enorme monument ter ere van “de Helden van Iquique”. Zo maar uit het niets doemen plots de nieuwste buitenwijken van de stad op, aan wat de rand van de woestijn is. Iquique barst letterlijk uit haar voegen zullen we ontdekken. Dan opeens in de diepte: de oceaan en de stad, die we via een steile weg met scherpe bochten bereiken. Terug op zeeniveau, terug in de bewoonde wereld. Toch wel gek om na vier dagen door stille natuurreservaten te hebben gereisd en over de nauwelijks bewoonde altiplano van de Andes, op grote hoogte kou te hebben geleden, te hebben moeten eten wat de pot schafte en in nauwelijks verwarmde hotels te hebben geslapen, bij een luxe hotel te worden afgezet en een tas met vuile kleren naar een wasserij te kunnen brengen. Die ruime hotelsuite met uitzicht op een vissershaven, een zeeleeuwenkolonie, de oceaan en de stad is, zo wordt ons verteld, deel van de taktiek van reisorganisatatoren om toeristen na een paar barre dagen op een luxueuze manier bij te laten komen. Wij vinden het gewoon lekker om weer in een t-shirt en een korte broek rond te kunnen lopen en even naar de supermarkt met ruime keus te kunnen gaan.

Vrijdag, 13 april 2012 – Iquique. “Het is vandaag vrijdag de dertiende”, meldt mijn reisgenoot. In Latijns-Amerika maken wij ons daar niet al te druk om, wij hebben “martes trece – dinsdag de dertiende” als pechdag. Na de schone was te hebben opgehaald zijn we klaar voor een lange stadswandeling, waarvoor we naar het beginpunt worden gereden door Marcela, de echtgenote van Jaime. Hij heeft een rijverbod! Dat hij ons sinds zondag heeft gechauffeurd, kon dus kennelijk ook niet. Vanaf het hotelbalkon en vanaf de boulevard hebben we kunnen zien dat Iquique aan alle kanten is ingesloten door water en de woestijn. Als je landinwaarts probeert te kijken, kijk je tegen die steile caramelkleurige hoge zandmuur aan die de grens tussen de stad en de woestijn vormt. Aan de noord- en zuidzijde nog meer zand, de meest nabije steden – Arica en Antofagasta – liggen honderden kilometers verderop. De vraag die op mijn lippen brandt is of mensen hier geen last van clautrofobie hebben of krijgen, hetgeen echter reuze mee zou vallen. We worden op de hoek van de straten Bernardo O’Higgins en Baquedano bij het Palacio Astoreca afgezet, midden in een “TSUNAMI HAZARD ZONE”. Even vraag ik me af hoe de ruim 250duizend inwoners Iquique in geval van nood uit deze aan alle kanten ingesloten zandbak kunnen worden geëvacueerd. Als de vloedgolf zou komen, worden ze volgens mijn inschatting met zijn allen tegen die hoge woestijnrand aangedrukt. Niemand schijnt zich daar echter al te veel zorgen over te maken. En och, de zon schijnt, het waait niet, wat mij betreft is het vandaag absoluut geen tsunamiweer.

Het Palacio Astoreca is geen paleis, het is een groot houten herenhuis dat in 1904 werd gebouwd door een goed boerende – handel en salpetermijnen - Baskische immigrant. Het huis is thans eigendom van de plaatselijke universiteit, terwijl het voorheen voor allerlei andere doeleinden werd gebruikt. Eén van de eerste kamers die ons worden getoond, zou het kantoor van Generaal Pinochet zijn geweest toen hij als jong luitenant in de tweede helft van de jaren veertig van de vorige eeuw in Iquique was gelegerd. Ook dat was een “vuile handen” periode in de Chili. Nadat ten tijde van de koude oorlog wetgeving was aangenomen om “de democratie te beschermen”, werden communisten vervolgd en opgesloten in onder andere een concentratiekamp in Pisagua. Een havenstadje zo’n beetje halverwege Iquique en Arica. Een kamp dat onder de jurisdictie van Pinochet viel, een vingeroefening voor later? Het huis is vooral donker en leeg, maar geeft een dag na het bezoek aan de Oficina Santiago Humberstone een goed beeld van hoe godvergeten veel geld er moet zijn verdiend met die salpeter. Dat wordt verder benadrukt in de Baquedostraat, waar anderen woonden die de wind in zeilen hadden. Stuk voor stuk als bouwpakket uit de Verenigde Staten geïmporteerde grote houten huizen in de stijl die je daar nog wel in de zuidelijke staten ziet. Zij die het minder goed hadden, de mijnwerkers en hun gezinnen, verging het ook minder goed. Tijdens een staking in 1907 trokken duizenden naar Iquique om hogere lonen en betere arbeidsomstandigheden te eisen. Als antwoord, en op verzoek van de mijneigenaren, stuurde de regering troepen om de staking te breken, met als gevolg een bloedbad waarbij ruim drieduizend mannen, vrouwen en kinderen werden neergeschoten. De commandant beweerde naderhand zijn soldaten uit zelfverdediging te hebben laten schieten. Met geweren en machinepistolen gericht schieten op onbewapende arbeiders, hun vrouwen en hun kinderen? Het bloedbad werd lang verzwegen, pas honderd jaar na de gruweldaad kondigde President Michelle Bachelet een dag van nationale rouw af ter herdenking van de slachtoffers.

wordt vervolgd