CHILEENSE COLLAGES – 36 (15082012)

Donderdag, 12 april 2012 – Gigante de Atacama - Salpetermijnen - Iquique. Dat die landmetende ambtenaren van het Ministerie van Mijnbouw door het toedoen van onze gids worden bekeurd, laat me verder koud. Dat hij de politiemensen uitgebreid doceert – beter gezegd: de les leest - hoe de nationale wetgeving inzake de bescherming van cultureel erfgoed in elkaar zit en mij probeert terecht te wijzen als ik een potscherf uit het zand opraap, irriteert me behoorlijk. “Geen scherven meenemen, die horen hier thuis!”, alsof ik dat van plan was. Alleen een onbeschadigde vondst zou me daartoe hebben kunnen verleiden. En dat allemaal langs een eindeloos spoor in het zand waar langs eeuwen geleden de karavanen van de Inca’s van huis naar de kust trokken en terug, vaak vele honderden kilometers afleggend. De geoglieven zouden hen onder andere de juiste richting hebben gewezen. De Gigante de Atacama is door zijn omvang van heel ver te zien – als je landinwaarts trekt tenminste – want die kijkt westwaarts richting oceaan, naar waar de zon ondergaat. Wij vervolgen de kaarsrechte asfaltweg en overbruggen in minder dan geen tijd de resterende kilometers naar Huara. Na enig oponthoud bij een controlepost van de Carabinieri is het tijd voor de lunch in een dorpsrestaurant waar we een verrassende ontmoeting hebben met een jong paartje van Afrikaanse afkomst. Ze zitten breed glimlachend naast een gietijzeren fornuis op een tot zetel gepromoveerde ton, met achter zich een tableau met messen, gereedschappen en historisch verpakkingmateriaal, vierkante blikjes en ronde blikken doosjes. Het zijn geen echte nazaten, doch goed gelijkende beelden van de slaven die, naar ik vermoed, door de koloniale Spanjaarden langs de route van Buenos Aires naar Peru werden achtergelaten om in de huishouding of op het land te werken. De allersterksten “reisden” verder om te werk te worden gesteld in de Peruaanse mijnen.

Kort na de lunch staan we in de Tamarugal Pampa – zoals dit deel van de Atacamawoestijn heet - voor de poort van een spookdorp waar de werknemers en families van de Oficina Salitrera Santiago Humberstone woonden totdat die nitraatmijn in 1959 definitief werd gesloten. Het ternauwernood geredde dorp huisvestte op het hoogtepunt 3.700 mensen en kan worden vergeleken met een grote compound zoals oliemaatschappijen die bouwen in afgelegen streken. Woningen voor het personeel, waarvan de ligging, grootte en luxe afhankelijk was van de plaats in de hiërarchie, scholen, een theater, sportvelden, een marktgebouw, een zwembad, een restaurant én winkels met toentertijd gedwongen winkelnering omdat slechts betaald kon worden met het door de werkgever uitgegeven “eigen geld”. Dat laatste doet nogal denken aan de Nederlandse Veenkolonieën, waar de “kolonisten” op gelijke wijze werden betutteld. Het door de Chileen Pedro Gamboni in 1853 ontwikkelde verbeterde proces voor het oplossen van salpeter, was van doorslaggevende betekenis voor de ontginning op grote schaal. Dat gebeurde ruim 20 jaar nadat productieverhogende eigenschappen van salpeter voor de landbouw waren ontdekt. Tot die tijd werd het gebruikt als grondstof voor buskruit. De Boheemse wetenschapper Thaddäus Haenke ontdekte tijdens zijn verblijf in de woestijn een proces om potassiumnitraat te maken en daardoor krachtiger buskruit. Het bestond simpelweg uit het handmatig fijn stampen van salpeter en potassiumchloride, dat in een vat te koken en de oplossing vervolgens in de zon laten drogen. Gamboni ontwikkelde het gebruik van stoom voor het in grote waterbakken aan de kook brengen van de nitraat, hetgeen meer brandstofefficiënt was en een flinke schaalvergroting tot gevolg had: van min of meer ambachtelijk naar industrieel. Tegelijkertijd ontstond er een infrastuctuur voor het transport van het salpeter naar de kust, want alles dat werd geproduceerd, werd geëxporteerd. Vergelijkbaar met de exploitatie van Afrika, waar ook alle spoorwegen naar de kust liepen om de koloniale rijkdom zo snel mogelijk af te kunnen voeren.

Gamboni’s proces werd gepatenteerd door de Peruaanse regering op wiens grondgebied de mijnen toen nog lagen. De Salpeteroorlog (1879 - 1884) tussen Chili, Peru en Bolivia zou daar een einde aan maken. En een einde aan de Boliviaanse toegang naar de Stille Oceaan en het verlies van de enorme kopervoorraden. Een treurige economische oorlog. Chili zou vervolgens schatrijk worden dankzij de oorlogsbuit, in 1890 zorgde de export van Chilisalpeter voor 50% van het nationale inkomen. Alles is echter tijdelijk, na de Duitse uitvinding van de veel goedkopere kunstmest ging het snel bergafwaarts met de “oficinas - kantoren” in de salpeterwoestijn die, zo lees ik in het boek “Desert Memories” van Ariel Dorfman, zo werden genoemd omdat men zodra een concessie was uitgeput verhuisde naar de volgende en zodoende nooit echt een vaste vestigingsplaats had. Dankzij hetzelfde boek leer ik veel over hoe het er in de woestijn aan toeging en hoe het spookdorp waar wij nu voorstaan werd gered dankzij de inspanningen van enkele oud werknemers die vonden dat een tastbare herinnering aan een gedoemde industrie moest worden bewaard. Want toen ondanks nationalisatie en wat dies meer zij niets meer hielp. werd de boel gesloten en als schroot verkocht. De woestijn werd ontdaan van alles wat de failliete oficinas hadden achtergelaten, slechts de Oficina Humberstone en het vlakbij gelegen Oficina Santa Laura werden van de totale sloop gered door wat er nog stond tot Cultureel Erfgoed te verklaren. En aldus zomaar dezelfde verheven status kregen als de Gigante van Atacama op niet meer dan 30 kilometer hier vandaan. Raar,vind ik, maar waar.

wordt vervolgd