CHILEENSE COLLAGES – 31 (28072012)

Maandag, 9 april 2012 – Arica - Putre. Nee, die honderden kilometers lange begraafplaats met hier en daar concentraties van Chinchorromummies doet - behalve de woestijn dan - in niets aan de Vallei der Koningen in Egypte denken. Geen drommen toeristen, geen grote grafmonumenten met ingewikkelde beschermingsconstructies om grafroof te voorkomen, geen pracht en praal, gewoon mummies onder een paar meter zand. Het mummieficeringsproces van de Chinchorro hield zich niet bezig met ritueel balsemen van het stoffelijk overschot of het in mooi bewerkte sarcofagen bewaren daarvan in bijvoorbeeld piramides. De Chinchorro demonteerden het lichaam als het ware: ze verwijderden de organen inclusief de hersenen, maakten de botten schoon, versterkten wat overbleef met stokken en naaiden de boel daarna weer dicht. De mummie werd veelal op een soort draagbaar geplaatst, hetgeen ongetwijfeld was bedoeld om de overledene eventueel makkelijk mee te kunnen nemen naar de volgende verblijfplaats. Die techniek werd in de loop der eeuwen verfijnd, zodat de allervroegste mummies een toch wel ander uiterlijk hebben dan de meest recente, dat wil zeggen de mummies die dateren uit de periode van 3000 tot 1300 voor onze jaartelling. Die relatief “moderne” werden namelijk ingepakt in een “mud coat” zoals dat zo mooi heet in het Engels, een modderjasje dus of liever gezegd: ze werden ingepakt in een klei-achtige substantie. Maar het was meer dan dat, de mummies kregen bovendien een nieuw gezicht van klei en een haardos van natuurlijke vezels aangemeten. Op die manier leek de mummie toch nog een beetje op de dode tijdens zijn of haar leven. Terwijl ik met veel belangstelling het getoonde bekijk en de bijbehorende verklarende teksten bestudeer, is onze gids bezig het bezoek voor mij ietwat te versjteren door ons nauwelijks de tijd te gunnen om hetgeen we zien in ons op te nemen. Hij blijft zonder ophouden doorkletsen en ons vertellen wat we zien, alsof we zelf geen ogen hebben of een klasje scholieren met een laag IQ zouden zijn. Mijn reisgenoot is in deze stukken geduldiger en hobbelt met hem mee, zodat ik de Spaanse teksten kan lezen en wat langer kan blijven hangen bij hetgeen me extra interesseert, zoals de ontwikkeling van het aardewerk en de ontwikkeling van het weven en de kleurrijke kledingstukken en bijzondere hoofddeksels die vervolgens werden gemaakt. Aan het eind van de wandelroute is een grote zaal ingeruimd voor een enorme houten olijfoliepers, die verdacht veel lijkt op de door man- en/of dierkracht aangedreven koloniale suikermolens. Gezien het feit dat men sap uit een vrucht of een rietstengel wilde persen, is dat goed verklaarbaar.

Terwijl ik denk dat het museumbezoek er al op zit, blijken we halverwege te zijn. Een meevaller. In de tuin die we oversteken passeren we het bord met UV waarschuwing 6, brokken steen met petroglieven en stenen met door het malen van granen (?) uitgesleten gaten. Dan komt de verrassing: SALA CHINCHORRO met een pijl naar rechts staan op het houten bord dat op de fantasieloze keienmuur is geschroefd. Daarmee wordt het mooie nieuwe paviljoen waar het naar verwijst toch wel erg tekort gedaan. Maar wat is het eigenlijk? Een mortuarium? Een ossuarium? Een mummietoonzaal? Een lab? Van alles een beetje, zo blijkt. In een afgesloten zaal met aan de voorkant een groot raam kan de bezoeker de daarin bewaarde mummies bewonderen, hoewel dat niet meevalt. De ruimte is min of meer duister, het is er koud. De mummies worden er onder “ideale” omstandigheden bewaard om toekomstig onderzoek mogelijk te maken. Het ziet er toch wel wat bizar uit, rij na rij streng en zeer precies gerangschikte tafels met daarop mummies van ongelijke afmetingen en uit diverse tijdvakken. Zoals je dat wel eens ziet op oude afbeeldingen van pas geboren babies in de kraamafdeling van een ziekenhuis. Maar hier, in het museum van San Miguel de Azapa, het onderzoeksinstituut van de Universiteit van Tarapaca, is het als turen in de mist.

De oase uit, want dat is het dorp, de woestijn weer in richting Putre dat ons reisdoel is voor vandaag. Opnieuw de kleurloze saaie weg en na vele kilometers opnieuw ergens in de diepte een groen lint, opnieuw olijfgaarden. Lunchtijd bij vrienden van Jaime in een restaurant dat “36 “ heet, de afstand in kilometers tot de kust. “Tijd om asperines in te nemen tegen de hoofdijn”, wordt ons aangeraden bij het dessert. Het zou dé remedie tegen hoogteziekte zijn, tesamen met veel water drinken, licht eten en niet overmatig energiek bewegen. We zijn bezig om in een paar uur van het zeeniveau van Arica te klimmen naar ons op bijna 3800 meter gelegen hotel voor vannacht en dat kan lastig zijn voor hen met een lichaam dat gevoelig is voor hoogte. Ik doe niet mee aan die flauwekul, maar heb makkelijk praten, mijn lichaam is reisbestendig. Op 2.200 meter, daar waar Candelabra cactussen groeien, worden we aan een laatste test onderworpen. Vanaf de weg klimmen we naar de plant met een lange stam waar bovenop, zoals bij een yuca maar veel hoger en groter, een zooitje extra cactussen groeit die er uitzien als een slordig geschikt boeket bloemen. Volgens Jaime beginnen sommige mensen hier spontaan over te geven omdat ze last van de hoogte krijgen, een wat slordige vorm van high worden. Die moeten dan ook terug naar de kust. Wij doorstaan de test probleemloos, hijsen ons weer in de auto en hoeven niet terug naar “af”.

wordt vervolgd