|
CHILEENSE COLLAGES – 30 (25072012) Maandag, 9 april 2012 – Arica - Putre. Op de strategisch gelegen Morro de Arica, die de omgeving behoorlijk dominant beheerst, staat een mega Chileense vlag uit te stralen wie hier de baas is. Het moet tot over de grens met Peru te zien zijn en is vast en zeker bedoeld om zout in de nooit genezen oorlogswonden te strooien. De Morro was in juni 1880 het laatste Peruaanse bolwerk dat verdedigd werd tegen de oprukkende Chilenen. Heroïsch vind ik het verhaal dat kolonel Alfonso Ugarte te paard van de 140 meter hoge heuvel de oceaan in sprong om te voorkomen dat de vijand de Peruaanse vlag zou veroveren. Dat waren nog eens tijden! En nu waait er dit Chileense onding, in de schaduw waarvan een oorlogsmuseum is gevestigd dat wordt beheerd door het leger. Een heleboel jongens in uniform op post, slechts voor de vorm: het museum is gesloten. Het ligt, zo kunnen wij er langs lopend zien, in soort loopgraaf waarin de restanten van veroverd wapentuig zijn te zien. Het overmatig nationalistisch commentaar van onze gids begint me ietwat tegen te staan, terwijl onze noordelijke tour nog maar net is begonnen. Het duurt gelukkig maar even, want er is verder niets te zien of te beleven. De heuvel af en de woestijn in is de enige optie die we hebben. Grijs en grauw is het van iedere andere kleur ontdane landschap, totdat er aan de linkerkant een groen lint opduikt. Het bewijs dat er daar tenminste ergens water moet stromen zoals ik uit ervaring weet van reizen door andere zeer droge gebieden. Dankzij het water en immigranten uit het Midden-Oosten bestaat er hier een goed draaiende olijfolie-industrie met, volgens Jaime althans, een hoogwaardig produkt dat in geen Chileens huishouden mag ontbreken. Wat we even later ook zien, zijn de eerste zichtbare tekens van de oorspronkelijke bewoners: op een heuvel “gegraveerde” lama’s daterend uit de pre-koloniale tijd. Van dichterbij is te zien dat de afbeeldingen zijn gemaakt van stenen die in de omgeving werden “geoogst”. Een positieve geoglief derhalve die herinneringen oproept aan een vorig leven in Engeland waar dergelijke afbeeldingen in een stukken groener landschap kunnen worden bewonderd. Mijn foto’s en filmopnamen van destijds zijn helaas samen met mijn toenmalige echtgenote verdwenen, maar de herinnering eraan - zoals aan de reus van Wilmington en het witte paard van Uffington - is niet te wissen. Tenzij de heer Alzheimer ongenood op bezoek zou komen om daar een eind aan te maken. In San Miguel de Azapa, het eerste dorp dat we tegenkomen, parkeert Jaime de auto voor een pokdalig kaal terrein waar archeologische opgravingen zouden worden verricht. Het ligt er verlaten bij en ziet er niet uit alsof er kort geleden nog moeite is gedaan om nieuwe ontdekkingen te doen. Het lage gebouw waarin het bijbehorende museumpje is gevestigd, ziet er aan de buitenkant evenmin bijster uitnodigend uit. Eenmaal binnen opent de unieke collectie echter een venster naar een tot nu toe onbekende wereld, die van de Chinchorro cultuur. Die werd door de Chilenen in een moeite door geconfisceerd met de woestijn die van de Peruanen en Bolivianen werd afgepikt tijdens de Salpeteroorlog. Uiteraard wordt daar in het museum geen aandacht aan besteed, dat zou teveel van het goede zijn. In de schemerduistere zalen wordt in vitrines – het zijn net etalages in een donkere winkelstraat - een eenvoudig, doch leerzaam overzicht gegeven van de eerste bewoners van dit gebied en hun ontwikkeling tot en met de Spaanse kolonisatie. Hoewel de theorie van de populatie van dit continent - vanuit Afrika en Azië via de landtong tussen Siberië en Alaska en vervolgens langs de Amerikaanse westkust migrerend tot in Vuurland – heel begrijpelijk is, blijft het moeilijk te bevatten hoe en waarom mensen in kleine groepen en met beperkte middelen enorme afstanden aflegden en generatie na generatie verder trokken. Waarom zou je je in onherbergzame streken zoals de droge woestijn van Atacama vestigen of in het ijskoude Vuurland? Ik zou lekker in Californië zijn gebleven of in het tropisch regenwoud van Panama of ergens langs de Amazone. Maar goed, mensen arriveerden zo’n 7.000 jaar voor onze jaartelling aan deze kust en bleven er wonen. Ze leefden van wat de zee en hun meetrekkende vee opleverde en “evolueerden” heel geleidelijk op dezelfde manier als waarop wij dat heden ten dage in de hoogst mogelijke versnelling nog steeds doen. Van vrijwel geen kleding, tot kleding gemaakt van dierenhuiden tot kleurige geweven stoffen. Van simpel doelmatig aardewerk tot sierlijke en keer op keer mooier gedecoreerde en afgewerkte keramiek. Na de komst van de conquistadores wordt langzamerhand de Spaanse invloed op kleding en gebruiksvoorwerpen zichtbaar en wordt een begin gemaakt met de verwerking van olijven tot olie. Het meest in het oog lopende aspect van de Chinchorro cultuur is echter zonder meer de manier waarop zij met de doden omgingen. Duizenden jaren voordat de Egyptenaren hun doden mummificeerden, deden de Chinchorro dat al met ieder lid van hun gemeenschap en niet uitsluitend met hoge ambtsdragers of zij die goed bij kas zaten. De eerste mummies werden zo’n honderd jaar geleden gevonden op het strand van Arica, aan de voet van de Morro. De meest recente enkele jaren terug. De hele kustlijn tussen Ilo in het zuiden van Peru tot aan het Chileense Antofagasta – ruim 900 kilometer verderop – schijnt één langgerekte onzichtbare begraafplaats van de Chinchorro te zijn waar in de toekomst – ver of nabij - vast en zeker nog meer over vernomen zal worden. wordt vervolgd |