|
CHILEENSE COLLAGES – 28 (17072012) Zondag, 8 april 2012 – Valparaíso – Arica - Tacna. Honderden kilometers vliegen we met de Andes op de achtergrond, de Stille Oceaan op de voorgrond en de woestijn er tussenin. De grens tussen de woestijn en de oceaan wordt gevormd door een hoge steile bergwand, een klif, een falaise. Zoals ik me de White Cliffs of Dover herinner en de Falaise de Badiagara van de Dogon in Mali. Als de piloot de daling inzet, komen wat misplaatst in de zandvlakte staande huizen en bomen in beeld: Arica, de noordelijkste stad van Chili is bereikt. De eerste richtingaanwijzer na het vliegveld geeft de afstand naar Santiago aan: 2085 km, we zijn in weinig tijd een flink stuk opgeschoten en hebben het land van zuid naar noord over de hele lengte van 5.300 kilometer bereisd! Het contrast met het Chili dat we afgelopen weken bezochten kan niet groter zijn, na overdagige hoeveelheden water en groen in het zuiden rijden we opeens door een gigantische zandbak zonder enige groen. Nu we toch vlak bij Peru zijn, moeten we daar maar in Tacna gaan lunchen. Jaime, onze chauffeur/gids voor de komende dagen heeft – zo doet hij voorkomen - geen zin om met zijn eigen auto te gaan en regelt vervoer op busterminal. Daar staan een behoorlijk wat taxi’s met Peruaans kenteken op klanten te wachten, grote Amerikaanse bakken zijn het. De originele motor van de onze Ford Taurus is vervangen door een stukken zwaardere dieselmotor van een Toyota busje, het ding scheurt met veel te hoge snelheid over de rechte streep asfalt door de woestijn die Arica met Tacna verbindt. Een stukje Pan American highway waarover Kadir van Lohuizen nog niet zo lang geleden in de NRC verslag deed. Onderweg komen we hoofdzakelijk soortgelijke taxi’s tegen, het moet een lucratieve route zijn. De grensformaliteiten stellen niet al te veel voor: formulier inleveren, stempel in paspoort aan de ene kant van de grens en idem aan de andere kant, waar de rugzakken ook nog even door de scanner moet zonder dat de ongeïnteresseerde Peruaanse beambte die maar een blik waardig keuren. Jaime, onze chauffeur/gids waarschuwt bij voorbaat dat dit op de terugweg wel anders zal zijn omdat dit een grenspost is waar nogal wat drugstoeristen en/of smokkelaars het land binnenkomen. Iets waar men in het conservatieve Chile niet dol op is. Ergo: strenge controles. Dorre woestijn, hier en daar een poging om een olijvenplantage te beginnen, kleine onbewoonde onderkomens van krakers die dienen om het eigendom van stukjes land te claimen. Een caravaan van taxi’s die aan een informele snelheidsrace lijken deel te nemen dankzij betalende passagiers op de achterbank. Tacna, voluit San Pedro de Tacna, is zo’n Zuid-Amerikaans stadje dat dienst zou kunnen doen als decor voor een spaghetti western. Bewoners met een licht gekleurde huid, witgekalkte huizen, weinig mensen op straat, het is siësta. De werkelijkheid is uiteraard stukken minder spectaculair. We belanden in “La Glorieta Tacneña”, een openlucht restaurant in de schaduw van een heuvelrug waarop het stadswapen is “gegraveerd” met daarin een lama, een walvis en een olijfboom. Eronder staat 500, ernaast 300. Joost mag weten wat deze codes betekenen. Uiteraard bestellen we Pisco Sour, het drankje waarvan Chilenen overtuigd zijn dat het Chileens is en Peruanen evenzeer dat het Peruaans is. Zoiets als de Piña Colada of de Mojito, die hun oorsprong schijnen te hebben op vrijwel ieder eiland in de Caraïbische Zee waar rietsuiker wordt of werd verbouwd. Hoewel ik in de koloniale stad van San Juan de Puerto Rico een gevel zag met een klein tegeltableau waarop stond dat dit de bar was waar de allereerste piña colada was gemixt en geschonken. In de Dominicaanse Republiek, waar ik destijds woonde, smaakten ze eigelijk stukken lekkerder. Wellicht omdat de rum – “vraag altijd om añejo anders krijg je troep”, was mij aangeraden - daar beter smaakte dan op het buureiland. De hoofdschotel wordt een lokale dis, een chicharrón de pescado, een overdadige visschotel. Wat wil je ook in een stadje dat aan zee ligt. De taxichauffeur die geacht wordt ons af te komen halen om terug naar Chili te gaan, laat het afweten. Het mag de pret niet drukken, dan doen we de geprogrammeerde “city tour” – een rit van het restaurant naar het centrale plein – maar met een stadstaxi. Op die Plaza staan de kathedraal en een triomfboog met daaronder een gigantisch patriotisch monument van een Peruaanse admiraal en een Peruaanse generaal, een monument voor de verliezers, de verliezers van de Guerra del Pacifico (1878 – 1883), ook bekend als de Salpeteroorlog. Een aggressief expansionistisch Chili veroverde tijdens die oorlog de noordelijke woestijn die tot dan toe deel uitmaakte van Peru en Bolivia. Beide landen verloren belangrijke minerale voorraden – salpeter en koper – terwijl Bolivia de toegang tot de oceaan verloor en een door land ingesloten staat werd. Die oorlog en die geschiedenis en de superioriteit van de Chilenen zal ons de komende dagen tot vervelens toe worden beschreven door Jaime. Een andere taxi naar de busterminal, daar onderhandelen over de prijs van de terugrit naar Arica, die stukken duurder blijkt te zijn dan de heenrit. Flarden; “de retourrit is altijd duurder” en “het gaat om de prijs per persoon, als jullie niet willen delen is het duurder”. Derhalve wil de taxichauffeur de prijs voor vijf passagiers van ons vangen. Zelfde routine. Er moeten formulieren worden ingevuld, we moeten ons paspoort inleveren, er wordt een passagierslijst opgemaakt op een typemachine – ja hier bestaan ze nog! – de chauffeur heeft nu de regie tot in Chili. wordt vervolgd |