CHILEENSE COLLAGES – 19 (11062012)

Maandag, 2 april 2012 – Cochamó – Puerto Varas - Santiago de Chile. Honderd meter verderop: hek open, hek dicht, een pad door een weide, de berg op. Het eerste deel is vlak, dat valt reuze mee, vervolgens vals plat dat iets minder meevalt en tenslotte de echte klim, dat is lichtelijk zwoegen. De zon klimt mee en verwarmt de vallei. Het jack kan uit, de trui kan uit, lekker. Het fjord en de rivier liggen steeds verder beneden ons, het geloei van de onzichtbare koeien klinkt steeds luider en echoot door het dal, de boerderij die ons eindpunt is, komt in beeld bij de ene bocht en verdwijnt daarna weer bij de volgende. Er is maar één enkel pad, verdwalen is er niet bij en zoals Kurt vooraf al geruststellend had gezegd: het huis is niet te missen. Het dal ligt ondertussen dan wel in de diepte, maar helaas nog niet ver genoeg. We zitten er goed naast te denken bij het huis van Don Antonio en Doña Ana te zijn gearriveerd, in het eenzame huis dat we tegenkomen wonen hun zoon en schoondochter. Die laatste zegt bemoedigend dat we er bijna zijn. De klim wordt steiler, het pad is bezaaid met stenen en stukken naar beneden gekomen rots. “Een goede oefening voor de cerros van Valparaíso”, moedig ik mijn ietwat puffende reisgenoot aan. Terwijl ik de afgelopen maanden stevig heb kunnen trainen ter voorbereiding op onze reis, liep hij door medische perikelen een flinke conditie achterstand op. Maar opgeven? Ho maar! En zo hoort het ook. Af en toe rusten we kort uit en genieten van het uitzicht op de rivieren, op het bos, op de grillige rotsformaties, op het Reloncavífjord waar weer van die quadranten witte drijvers op het water liggen. We zijn er inmiddels achter gekomen dat onder die dingen zalm wordt gekweekt.

Snel vallend water, af en toe wat schaduw van de bomen en dan eindelijk een boomgaard met aan de bovenkant het huis. We worden ontvangen door Doña Ana die ons uitnodigt even binnen te komen om uit te blazen. Het eerste dat daar opvalt is de wand met een grote poster van een zegenende Paus. Het plafond is laag, zo laag dat ik ietsje gebukt moet lopen om mijn hoofd niet te stoten. Duidelijk gebouwd op de lengte van de mensen die er wonen. Het chalet is eenvoudig ingericht en niet groot, de bewoners zijn geheel zelfvoorzienend: eigen water, eigen elektriciteit die dankzij een in het snel van de berg stromende water geplaatste installatie wordt opgewekt, eigen vlees door af en toe een koe te slachten, eigen fruit uit de boomgaard, groenten en aardappels uit eigen tuin, hout voor het fornuis en de verwarming in overvloed op hun eigen land. Ze zijn helemaal voorbereid op de winterse maanden die in aantocht zijn. Doña Ana vertelt dat ze één keer per maand “beneden” boodschappen gaat doen om de dingen te kopen die ze niet zelf hebben of maken en heeft het verder prima naar haar zin zo ver van alles vandaan. Natuurlijk was het even wennen nadat Don Antonio het land had gekocht en ze er naartoe waren verhuisd, maar ook hier geldt: alles went. Bovendien hebben ze televisie en telefoon, dus zo geïsoleerd is het nu ook weer niet. Hetzelfde horen we nogmaals tijdens de afdaling als we de schoondochter tegenkomen. Ze komt uit Cochamó en is na twee jaar nu wel aan de stilte en rust boven op de berg gewend, bovendien kan ze het dorp en ”de zee”, zoals zowel zij als haar schoonmoeder het Reloncavífjord noemen, vanuit haar huis zien wanneer ze wil. Ze klimt naar boven voor de familielunch die haar schoonmoeder iedere dag klaarmaakt. Hoewel het niet haar “echte” schoonmoeder is. “We moeten de papieren voor het huwelijk nog in orde maken”, bekent ze ongevraagd met een lichte blos op de wangen. We dalen rustig af, werpen een blik op de vrijwel onzichtbare elektriciteitscentrale – ”ëen hele investering” – en dalen verder. De stilte wordt slechts verbroken door de zonder ophouden loeiende koeien.

Na de late lunch pakken we onze tassen en zijn klaar voor terugrit naar Puerto Varas. We hebben alle tijd en stoppen kort in Cochamó om de kerk te bekijken die we vanmorgen dankzij Doña Ana uit de hoogte hebben ontdekt. Uiteraard is het er zo een waarvan het dak en de buitenmuren zijn afgetimmerd met shingles en staat de kerk vlak bij de oever van het water, net zoals de kerkjes op Chiloé dat tegenover de monding van het fjord ligt. De parochiekerk van Maria Inmaculada, oftewel de Onbevlekt Ontvangen Maria, is goed onderhouden, alweer een kerk met een sterrenhemel zonder sterrenbeelden op het gewelfde plafond. In een hoek naast de ingang staat een kale naar december verlangende kerststal – hoewel het net zo goed een afgedankt hondenhok zou kunnen zijn – die is bekleed met shingles. Datzelfde geldt trouwens voor de bushalte in het dorp, men kan in deze streken waarschijnlijk niet anders. Ongehaast rijden we in minder dan 24 uur voor de tweede keer langs het Llanquihuemeer en de Osornovulkaan, zij het in de tegenovergstelde richting. Wat zouden we hier in vredesnaam te zoeken hebben gehad indien het, zoals meestal het geval is, de regen met bakken uit de hemel was gekomen? Het antwoord is eenvoudig: helemaal niets!

wordt vervolgd