CHILEENSE COLLAGES – 18 (09062012)

Zondag, 1 april 2012 – Cochamó. Door de rivierbedding met Kurt’s 4x4 om de bagage op te halen, niet dat het veel is, maar zijn aanbod afslaan zou onbeleefd zijn geweest. En zo krijgen we toch nog een beetje het gevoel vlakbij Campo Aventura te zijn, want door de totale rust die er heerst lijkt het “avontuur” ver weg. De enige geluiden zijn afkomstig van vogels en het ruisen van de twee rivieren die ongetwijfeld tot de weinig fantasierijke naamgeving van de Riverside Lodge hebben bijgedragen. Als je van idyllisch wonen houdt, ver van de bewoonde wereld, van rust, van eenzaamheid en stilte, dan zit je hier gebeiteld. Hoewel Kurt de tent halverwege april wel sluit, omdat het tijdens de koude wintermaanden op het zuidelijk halfrond toch wat minder aantrekkelijk is. Hij komt uiteindelijk uit Californië...... Wij drinken een glas wijn in de zon, iets dat we heel vanzelfsprekend vinden. Kurt toont ons de keerzijde van de medaille: “Jullie boffen geweldig! In april zal het hier maar drie dagen niet regenen: vandaag, morgen en tegen het einde van de maand nog eentje”. Alsof hij ons er van wil overtuigen dat we echt midden in het regenwoud zitten, één van de laatste drie – volgens hem – overgebleven niet tropische regenwouden op aarde. Tot voor een jaar of twintig was het hier nog rustiger, tot die tijd was het gemakkelijker om Cochamó over land via Argentinië te bereiken dan vanuit Puerto Varas. De enige echte Chileense toegangsweg was via het water. Riverside Lodge is een misleidende naam, niet wat de “Riverside” maar wat de “lodge” betreft. Het complex bestaat uit een aantal met shingles beklede gebouwtjes en een niet al te hoge toren – in gebruik als opslagplaats - die mij eerder op het kloosterdwaalspoor bracht. Een gebouw, formaat ouderwets lage boerenschuur, huist een viertal eenvoudige kamers en de keuken, een stukken charmanter gebouwtje waarin het “restaurant”, de huiskamer annex eetzaal, is gevestigd met in de zijkamer Kurt’s kantoor, naast de toren is een toiletschuurtje. Verderop is nog een verblijf dat aan het oog is onttrokken, daar slapen onze Duitse medegasten. Eén van hen woont in Puerto Varas en werkt bij een reisbureau. Aan de avonddis bevestigt ze dat wij niet alleen staan met onze klaagzang over de ligging, de leiding en de dienstverlening – of beter het gebrek daaraan - van hotel Palafito 1326, maar dat er helaas in de categorie “boutique hotels” in Castro geen alternatieven zijn. Einde discussie.

Maandag, 2 april 2012 – Cochamó – Puerto Varas - Santiago.. De zon schijnt vandaag inderdaad. Mijn Spartaanse kamer, die bij het naar bed gaan aangenaam warm was dankzij de straalkachel op een gasfles, was toen ik opstond echter allejezus koud. De fles moet ergens midden in de nacht zijn leeggeraakt, in het restaurant brandt gelukkig het houtgestookte fornuis. Dat scheelt heel veel graden. Aan de muur hangt een WANTED poster voor Butch Cassidy en Sundance Kid, de fameuze Amerikaanse bandieten die naar Argentinië zouden zijn gevlucht en zich vermoedelijk langere tijd net aan de andere kant van de grens schuil hielden. Ik las daar als eens uitgebreid over in het boek “In Patagonië” van Bruce Chatwin. Op de muur naast de poster hangt een facsimile van een kort semi-wetenschappelijk artikel – een van de auteurs is lid van de adviesraad van de National Association for Outlaw and Lawmen History – over hoe beide boeven aan hun einde zouden zijn gekomen in het zuiden van Bolivia. Een artikel dat deels is gebaseerd op een “van horen zeggen getuigenis” van Hiram Bingham III uit november 1908, een paar jaar later zou hij Machu Pichu ontdekken. Uiteraard zijn Butch en Sundance volgens Kurt in Cochamó geweest om het vee dat ze aan de andere kant van de Andes fokten te verschepen naar Santiago en de nitraatmijnen in de noordelijke woestijn. In een vorig leven was Kurt journalist die vele jaren Johannesburg als standplaats had, zo ontdek ik in de keuken op zoek naar boter. Hij was onder andere verbonden aan het Zuid-Afrikaanse Instituut voor International Affairs en – hoewel ik daaraan twijfel – zal dit dus wel naar eer en geweten zijn onderzocht. Maar volgens mij is het niets anders dan een slimme marketingtruc om Amerikaanse toeristen te trekken die romantische ideeën over het Wilde Westen hebben.

De Duitsers gaan paardrijden, wij vragen ons af wat te doen voordat we vanmiddag onze reis zullen voortzetten. Kurt suggereert een bezoek aan Don Antonio en Doña Ana die hoog op de berg wonen, hoog voor ons gevoel tenminste. Het huis is vanaf de rivieroever te zien en dat is tegelijkertijd het verneukeratieve: het lijkt goed te doen. Bij de brug eerst even kijken naar één van die in Chili alom aanwezige “ánimas”, altaartjes langs de weg ter nagedachtenis van de ziel – ánima – van degene die daar bij een verkeersongeluk is overleden. ’t Is een mooi en kleurrijk gebruik. Er tegenover staat een in elkaar geflanste houten keet met het opschrift “WELKOM IN DE COCHAMÓVALLEI – registeer u hier voor uw veiligheid”. Dat is echter onmogelijk, het ding is leeg en verwaarloosd. Er zit niets anders op dan ongeregistreerd op weg te gaan en toch nog een beetje op avontuur.

wordt vervolgd