|
CHILEENSE COLLAGES – 17 (04062012) Zondag, 1 april 2012 – Chiloé – Puerto Varas - Cochamó. De oversteek van het Chacaokanaal duurt stukken langer dan op de heenreis. Er waait een stevige wind, er staat een sterke stroming. De pont vaart zolang mogelijk in de luwte van de kust voordat het roerige open water wordt gekruist. Bij wijze van afscheid ontdekken we vanaf het dek van de veerpont een kerkje dat we aan de wal hebben gemist, het staat idyllisch tussen de bomen op vrijwel het uiteinde van het eiland. Maar toch zal het niet het allerlaatste kerkje blijken te zijn. Aangekomen op het vaste land rijden we in Pargua gelijk langs de volgende en zullen er onderweg naar Cochamó nog de nodige tegenkomen. Allemaal van hout en allemaal geheel of gedeeltelijk bekleedt met shingles en/of golfplaat. Logisch is het wel. De Duitse en Zwitserse immigranten die de “shingletechniek” vanuit hun vaderland mee naar Chile namen, vestigden zich niet alleen op Chiloé, doch al eerder in Puerto Montt en wijde omgeving. Wat we wel definitief achter ons hebben gelaten, zijn de naar schatting 5.800 eilanden en eilandjes die het Chileense deel van Tierra del Fuego en Patagonië telt en waar waterwegen vrijwel de enige goede verbinding vormen. Sinds we vrijdagochtend in de auto stapten, hebben we grotendeels over de Ruta 5 Sur gereden, de zuid-westelijke doodlopende tak van de Vía PanAm, de Pan-American Highway, die dwars door Chili slingert tot aan de grens met Peru. Die afstand van 3.100 kilometer zullen we de komende week met de auto, bus, taxi en vliegtuig gaan overbruggen. Dat het economisch goed gaat met Chili, de grootste koperproducent ter wereld doet al een paar jaar prima zaken met dit zeer gewilde metaal, is duidelijk zichtbaar. Ontelbaar zijn de infrastructurele werken die we al hebben gezien en nog zullen tegenkomen: erg veel nieuwe wegen of wegverbetering, veel te grote scholen in kleine gemeenschappen, ziekenhuizen, overheidsgebouwen. Alles uiteraard onder het motto: wie het breed heeft, laat het breed hangen. Dankzij die goede nieuwe en verbeterde wegen rijden we in een vloek en een zucht rond Puerto Montt – waar een enorm medisch centrum in aanbouw is – naar Puerto Varas aan de oever van het Llanquihuemeer. Het stadje ziet er zo op het eerste gezicht behoorlijk welvarend uit. Van de programmaleiding hebben we twee goede raden meegekregen: ga als je tijd hebt lunchen in de Club Alemán, de Duitse Club, en vul vooral de tank van de auto. We laten het bij foerageren van vloeistof voor zowel de auto als voor ons zelf, daarna zoeken we de oever van het meer op waarlangs een groot deel van de weg naar Cochamó loopt. Samen met het water dient de vulkaan Osorno, die wel wat van de Japanse Fuji heeft en waarvan de top dus met sneeuw is bedekt, als baken. Aan de landkant van de weg wordt opvallend veel honing verkocht. Miel de Ulmo, een unieke Chileense delicatesse, want de ulmo is een boom – eucriphia cordifolia - met grote witte bloemen die vrijwel nergens anders ter wereld groiet. Verder zijn er nogal wat mensen in het bos bessen aan het plukken om die vervolgens eveneens langs de weg te koop aan te bieden. Het Llanquihuemeer is trouwens, zo staat op een bord aan de oever, het in grootte derde meer van Zuid-Amerika met een oppervlakte van 870km² en een maximale diepte van 350 meter. Geen lullig meertje derhalve, maar een plas water die vier keer zo groot is als de stad Amsterdam! De vulkaan slaapt al een poosje, de laatst bekende uitbarsting was in 1869. Charles Darwin zag tijdens de tweede reis van de Beagle vanuit Ancud – jawel, net als wij bezocht hij Chiloé! – in 1835 een eerdere uitbarsting en verbaasde zich erover dat er vrijwel gelijktijdig erupties waren van de noordelijker gelegen vulkanen Aconcagua en Coseguina. Hij vroeg zich daarom af of er mogelijkerwijs een of andere ondergrondse verbinding tussen de vulkanen bestond. Nee dus. Bij Ensenada aangekomen keren we het meer en de vulkaan de rug toe en rijden het regenwoud in. Heel wat anders dan het tropische regenwoud dat ik zo goed ken uit de jaren dat ik in West- en Centraal-Afrika woonde. Een andere kleur groen - lang niet zo stralend - en stukken minder warm. Hoewel wanneer de geasfalteerde op een gegeven moment ophoudt en de losse steenslag begint, is het auto rijden echter een soortgelijke ervaring. We bereiken Cochamó, een onaanzienlijk vissersdorp aan het Reloncavífjord, maar moeten nog verder. “Kort na door Cochamó te zijn gereden, ligt de Riverside Lodge aan de linkerkant”, volgens de routebeschrijving. Het is maar hoe je “kort na” en “aan de linkerkant” interpreteert. Kilometers verder passeren we een brug waar aan het andere kant, met de rug naar ons toe, een bord staat. Toch maar even stoppen om te kijken kijken. “Riverside Lodge” en “Campo Avontura”, staat er op. Er ligt een smal pad, waarvoor een bocht van 180 graden moet worden gemaakt om het op te kunnen rijden, een pad dat na een paar honderd meter doodloopt op de stenen van een rivierbed of nog ietsje verder bij een voetbrug. Auto geparkeerd, brug over, hek open, weiland door, hek sluiten, pad volgen tot aan een weggestopt op een klooster lijkend complex. Een man met een paar missende voortanden en een wollen mutsje op komt me tegemoet. Hij heet Kurt, hij verwacht ons, we hebben ons logeeradres in het regenwoud zowaar gevonden. Een “Doctor. Livingstone I presume” ervaring op het verkeerde continent. wordt vervolgd |