CHILEENSE COLLAGES – 15 (23052012)

Zaterdag, 31 maart 2012 – Vilipulli - Chonchi. Geen mensen op straat in Chonchi en, behalve die van de lege kerk die we net bezochten dan, weinig open deuren. Bij gebrek aan beter of andere opties gaan we noodgedwongen, hoewel dat niet alleen wat overdreven klinkt, maar het ook is, naar binnen bij de wat groezelig ogende Cocinería Garlei. Volgens het alles verklarende woordenboek van de Spaanse taal is dat een “casa donde se guisan y venden cosas de comer – een huis waar dingen om te eten worden bereid en verkocht”. In dit geval een klein huiskamerrestaurant met een paar tafels, eenvoudig meubilair en op rommelmarkten verzameld serviesgoed. In een hoek een kleine keuken waar de gastvrouw de pannen op het vuur heeft staan. Op het dagmenu staat als voorgerecht een lokale bouillabaisse – het vissersdorp ligt niet voor niets aan baai van Corcovado - en als hoofdschotel koteletten, prima allemaal. Maar wat is er te drinken? Er is water, er zijn frisdranken waaronder “espriete” oftewel Sprite – er is koffie of thee. “En? En?”, dring ik aan. “Un técito frío – kouwe thee”, wordt ons aarzelend aangeboden, witte wijn die even later wordt geserveerd in een ouderwets theekopje omdat men kennelijk geen drankvergunning heeft. Jeetje, dat ons dit mag overkomen aan wat ruim tweehonderd jaar geleden als het einde van de Christelijke wereld werd beschouwd. Het zijn dit soort ervaringen die onze reis zo’n speciale kleur geven. De stevige maaltijdsoep en de kotelet smaken verrukkelijk en terwijl wij zitten te eten en een tweede kopje kouwe thee bestellen, schuiven de echtgenoot en de zonen van de gastvrouw aan voor hun lunch. Gezellig, we voelen ons thuis.

Geheel voldaan rijden we verder in de richting van Queilén, aan het einde van de weg en eveneens aan de Golf van Corcovado gelegen. Een goede geasfalteerde weg met mooie vergezichten naar de overkant en hier en daar kerkjes die niet op de kaart staan omdat ze waarschijnlijk niet de moeite waard werden gevonden door de beoordelingscommissie. Zoals die in Quitripulli, de op palen gebouwde roze gekleurde Capilla San José Obrero en het naamloze gele kapelletje in Lelbón, getuigenissen van veel geloof in gehuchten van niets. Een vreemdsoortige ijzeren constructie over de weg, wellicht een lelijke poging tot een stadspoort? Degene die dat heeft verzonnen moet er aan worden opgehangen, is mijn strenge oordeel. Geld uitgeven aan dat soort onbenullige onzin moet zwaar worden bestraft, tenzij........ Tenzij dezelfde persoon heeft aangedrongen op de aanleg van het wel heel erg mooie begraafplaatsje dat nog niet zolang geleden ernaast is geopend. Wat ligt dat op een allejezus mooie plek. Hoog op een heuvel, grenzend aan het water van de zeestraat met aan de overkant de Corcovado vulkaan. Het is er zo vredig en het ligt zo mooi dat ik zelfs heel even begin te twijfelen of ik nu echt wel wil worden gecremeerd of misschien hier wel zou willen worden begraven. Maar nee, de treurigmakende lulligheid van de grafmonumenten die er al zijn aangelegd, overtuigt me er al snel van dat dit geen plek voor mijn stoffelijke resten is, noch voor mijn as. Queilén is trouwens een teleurstellend dorp met een voor het mooie iets te vaak opgekalefaterd kerkje dat de wat wonderlijke naam van Nuestra Señora del Tránsito heeft. Onze Lieve Vrouw van het Verkeer? Van de Tijdelijkheid? Letterlijke vertalingen van het woord “tránsito”. Het schijnt echter meer met de verwisselling van het tijdelijke met het eeuwige te maken te hebben dan met wat anders, met de Maria Hemelvaart of de Maria Tenhemelopneming. Maar helemaar duidelijk is het me niet geworden.

Op de weg terug naar Castro slaan we hier en daar nog maar eens af om op deze kerkendag een zo groot mogelijk aantal kerkgebouwen te bekijken. Vaak langs niet geasfalteerde en derhalve zelden betreden paden. Al doende staan we eerst voor een voor alle verkeer gesloten brug en komen daarna in een naamloos gehucht terecht door richtingaanwijzers te volgen waarop een pictogram van een kerk staat. Daar staat een stoere, doch zeer gesloten kerk met als “buren” van ellende uit elkaar vallende huizen. Op de voorgevel van een daarvan is een zeemeermin geschilderd, wat zou daar binnen allemaal niet zijn gebeurd of wat voor bedrijf zou daar hebben gezeten? Mijn fantasie gaat bijna met mij aan de haal! Dichterbij Castro slaan we af naar de kerk van Nercón, de derde en de laatste van de “grote zes” voor vandaag. Het wordt een ontluisterende ervaring, want men is bezig de kerk “op te knappen” voor het allerminst lullige bedrag van 822 miljoen Chileense Pesos. De buitenmuren van het houten gebouw zijn vrijwel geheel verdwenen, de toren is weg, het gebouw is onthoofd! Hier en daar staat nog wat van het origineel overeind, wat dat in deze dan ook mag betekenen, aan de binnenkant is alles gestut. Het is net of we voor de “Anatomische les van Dr. Nicolaes Tulp” van Rembrandt staan: een ontzield lichaam dat bestudeerd mag worden. Ik klim de heuvel op waartegen het kerkhof ligt om het allemaal wat beter te kunnen zien. Nee, dit kan echt niet. Een gebouw dusdanig uitkleden, opnieuw aankleden en daarna blijven volhouden dat het een monument is, gaat mij veel te ver. In mijn ogen is het plastische chirurgie van de ergste soort: de chirurgen sturen een dikke rekening en het resultaat van hun ingreep is iets waar ze verder niet zoveel mee hebben. Je hebt immers gekregen waar je om hebt gevraagd? Dus niet zeuren.

wordt vervolgd