CHILEENSE COLLAGES – 12 (09052012)

Vrijdag, 30 maart 2012 – Ancud - Castro. “Op bergen en in dalen en overal is God. Waar wij ook immer dwalen of toeven, daar is God!”, zong ik vroeger met grote overtuiging op de zondagschool. “Behalve op Chiloé dan”, is de gedachte die zomaar bij mij opkomt omdat het erop lijkt dat de kerken amper moeite te doen om bezoekers – gelovig of niet - te verwelkomen. Maar goed, toen dat gezang tijdens mijn jeugd voor de rest van mijn leven in het geheugen werd gegrift, moest je natuurlijk wel heel erg goedgelovig zijn. Echte bergen en dalen komen en kwamen in Nederland immers niet voor, terwijl een bezoek aan landen waar dat wel zo was een onbetaalbare luxe was. Dat gold in ieder geval voor mijn door de Tweede Wereldoorlog verarmde ouders en al mijn klasgenoten van destijds. Mijn aanvankelijke geloofsijver was al snel bekoeld, waardoor ik sindsdien slechts bij hoge uitzondering een kerk – ongeacht van welke gezindte – betreed. Zouden ze vanuit Rome de concurrentiestrijd met de een thuiswedstrijd spelende El Trauco en La Viuda soms hebben opgegeven? Het lijkt wel of God in deze uithoek van het toch zeer katholieke Chili een terugtrekkende beweging heeft gemaakt, de ene kerk na de andere zit op slot. Het wekt zelfs de indruk dat ze alleen nog overeind staan dankzij hun monumentenstatus, in plaats van dat het goed functionerende en druk door gelovigen gefrequenteerde godshuizen zijn. Wat dat betreft zijn de mededelingen naast sommige voordeuren nogal veelbetekend: de datum van de volgende mis – meestal pas over een paar weken - of het nummer dat gebeld kan worden voor eerste hulp bij urgente geestelijke nood. Alsof God zijn bedrijfsplan heeft aangepast en zich voortaan concentreert op de beter bezochte filialen in de grotere bevolkingscentra, zoals het een goed geleid groot internationaal bedrijf natuurlijk betaamt. Wij zien vandaag zo’n beetje in alle dorpen en gehuchten tussen Quemchi en Dalcahue de consequenties van deze aan het hedendaagse aangepaste bedrijfsfilosofie: overal potdichte kerken en kerkjes.

Tenaún, één van die dorpjes, heeft een prangende vraag in petto: wat is er nog origineel aan dit niet al te lang geleden gerestaureerde gebouw? De vrijwel op het strand van de Baai van Corcovado gelegen kerk staat er stralend bij. Lekker vers in de verf – veel wit en blauw op de façade – waar nodig geacht is het hout van de drie torens ingepakt in beschermende golfplaat. Oerlelijk en het karakter verziekend in mijn ogen. De deuren van de tijdens de laatste twee decennia van de 19e eeuw gebouwde kerk zien er behoorlijk oud uit en zouden best eens de originele kunnen zijn, maar zeker weten doe je zoiets nooit. Vooral niet na het zien van de grote foto’s en beschrijving van de restauratie die naast de kerk op aanplakborden zijn aangebracht en waarop goed is te zien dat het overgrote deel van de houten structuur werd vervangen. Onderweg naar het volgende dorp en de volgende houten kerk, bespreken mijn reisgenoot – expert op het gebied van restauratie van beeldende kunst – en ik, een zeer geïnteresseerde leek – of en in hoeverre een dusdanig grondig gerestaureerd gebouw de status van monument nog verdient. Uiteraard wordt de Rotterdamse Laurenskerk – we zijn beiden zeer met Rotterdam verbonden - in de discussie betrokken. Want ja, wat is aan die gebombardeerde kerk nog origineel en hoe vaak is dat gebouw niet herbouwd en verbouwd en/of gerestaureerd? Maar toch een monument, net zoals de tot Werelderfgoed verheven houten kerkgebouwen van Chiloé. Het weerhoudt ons er niet van om halverwege het stofpad naar Dalcahue nogmaals af te slaan op een kruising waar onverwacht de kerkjes van San Juan en Calén staan aangekondigd. Alleen die van San Juan staat vermeld op de “kerkenkaart” die we bij de VVV in Ancud hebben bemachtigd, is die van Calén soms niet goed genoeg?

Net als Tenaún is Calén een vissersdorp met oesterbanken in de baai en de Corcovado aan de overkant van het water. Het kerkje is eenvoudiger, maar stukken authentieker. Geen zichtbare restauraties, geen van die lelijke over het hout gespijkerde golfplaten. Geen in vrolijke kleuren geverfde shingles op de toren of het dak, gewoon eerlijk onbehandeld hout, zoals het hoort. ’t Is dus gewoonweg te mooi om een plaats op de kaart te verdienen, zo concludeer ik. Alleen aan de entree is wat geklooid, nieuwe planken, nieuwe voordeur, een hekwerkje, waarop veel witte en wat blauwe verf is gesmeerd. Boven de toegangsdeur hangt het primitief portret van een voor mij onbekende heilige – Maria? – links en rechts zijn mededelingen voor de parochianen aangeplakt en staan op een schoolbord de data met de missen voor de rest van het jaar – de volgende wordt over ruim drie weken opgedragen – en tenslotte de eenvoudige direct op het hout geschilderde potplanten die – heel erg praktisch – nooit hoeven te worden ververst en nimmer zullen verwelken. Ze vervagen hooguit wat. Naast het kerkje ligt een overbevolkt, maar idyllisch kerkhof waar op de grafstenen is te zien dat de familienaam Bahamonde hier behoorlijk algemeen is. Er tegenover een A-huis van shingles. Een mooi miskend geheel, deze in 1870 gebouwde kerk en omgeving. Op de terugweg missen we de afslag naar San Juan. ’t Is mooi geweest, genoeg kerken gezien vandaag én genoeg stof gehapt. Vlak voor Dalcahue begint het asfalt gelukkig weer. Castro, waar we gaan overnachten, is niet ver weg meer.

wordt vervolgd