CHILEENSE COLLAGES – 11 (03052012)

Vrijdag, 30 maart 2012 – Ancud - Castro. Lelijke beeldjes in de struiken op het centrale stadsplein van Ancud verbeelden El Trauco en La Viuda, overbekende personages uit de rijke mythologie van Chiloé. Wat deze twee betreft hebben de mythen echter een behoorlijk libidineuze inslag. De afzichtelijk lelijke maar oersterke dwerg El Trauco woont ergens in de bossen van het eiland. Het verhaal wil dat hij een engel zou zijn geweest die naar de aarde afdaalde en zich daar misdroeg, oftewel zich overgaf aan aardse geneugten met een mooi meisje. Voor straf werd hij verminkt, doch dat heeft hem er sindsdien niet van weerhouden angst in te boezemen bij de vrouwelijke bevolking. Het verhaal wil dat hij als de mooie jongeman die hij eens was in de erotische dromen van jonge vrouwen verschijnt. El Trauco verleidt ze en neemt ze mee naar het bos om de liefde te bedrijven. Vrouwen vinden hem onweerstaanbaar, zelfs na uit hun droom te zijn ontwaakt en zijn lelijke gedaante te hebben gezien. Als het vermoeden bestaat dat hij in de buurt is, kunnen er echter “anti conceptie maatregelen” worden genomen. Zo kunnen er bijvoorbeeld messen gekruist in het hout van de ingangen naar het huis of in de raamkozijnen worden gestoken, hetgeen verdacht veel lijkt de de gekruiste kruisen die de duivel zouden afschrikken. Voor het slapen gaan wat droog zand op een tafel leggen zou El Trauco ook afleiden, omdat hij de neiging zou hebben om de zandkorrels te gaan tellen en al doende de jonge maagden te vergeten, enzovoort. Zwangerschappen zonder een bekende vader worden graag aan El Trauco toegeschreven en aldus vergoeilijkt. De vrouwelijke tegenvoeter van El Trauco is La Viuda, de weduwe, die het op de mannelijke inwoners van Chiloé heeft voorzien. Ze is een zwervende ziel die de dood van haar geliefde probeert te wreken op levende mannen. Ze is een lange slanke in het zwart geklede vrouw die op een paard of te voet door de nacht reizende mannen van achteren omhelst en verdooft, waarna ze hen meeneemt naar haar onderkomen om seksueel aan haar trekken te komen. Wie weigert of tegenstribbelt wordt gedood, vandaar dat ze ook wel de Viuda Negra, de zwarte weduwe, wordt genoemd. Om haar weg te houden, helpen gekruiste messen, noch hoopjes zand op de huiskamertafel. Gewoon meedoen en genieten, iets anders zit er niet op.

Het is klaarlichte dag, we gaan met een gerust hart verder. De zwarte weduwe slaat immers alleen ’s nacht toe en van die lelijke dwerg hebben alleen jonge maagden last. Twee middelbare jongens zoals wij hebben dus weinig te vrezen. Op de kleine kleurrijke vismarkt van Ancud ontdekken we wonderlijk grote schelpdieren – oesters? - en stekelige ronde zeevruchten die vast en zeker zee-egels zijn. Beide zijn delicatessen volgens de verkoopster met wie we een praatje maken. Een andere lokale delicatesse zijn de “kuchen”, spreek uit: “koetsjen” zo word ik terecht gewezen door de winkelbediende, die vormen de blijvende culinaire nalatenschap van de Duitse immigranten. De platte ronde taarten in de koelvitrine lijken nogal op cheesecakes, hoewel er vele andere maten en soorten zouden zijn. Om te snacken kiezen we liever Chileense empanadas, die stukken groter en vetter blijken te zijn dan hun Argentijnse soortgenoten. En terwijl we die op een bankje op het plein zitten te eten, komt een meisje naar ons toe. ”Jullie hebben die witte auto toch bij de kerk geparkeerd? De lichten branden nog”. Dat moet mij weer overkomen, een Chileense huurauto waarvan het alarm niet afgaat als de koplampen niet zijn uitgedaan.

Onderweg van Ancud naar Castro zien we langs de weg meer houten kerkjes die aan de buitenkant van top tot teen met shingles zijn bedekt. Klein zijn ze en eenvoudig, de meeste hebben de naam van een of andere heilige, hoewel we ook de Capilla Nuestra Señora de los Trabajadores zien. Kapel van Onze Lieve Vrouw van de Arbeiders en de Capilla de Tocoihue, heel gewoon vernoemd naar het dorpje waar die staat. Tientallen zijn er gebouwd op dit eiland en die hele bups werd in het jaar 2000 door de UNESCO in een klap tot Werelderfgoed verklaard. Op aanraden van de organisator van onze reis verlaten we Degañ de geasfalteerde weg en rijden in de richting van Quemchi, een bewuste omweg om langs de minder gebaande paden wat kerken in anders verborgen dorpen te gaan bekijken. Het wegdek bestaat uit verharde aarde of ripio – schaars gestrooide losse steenslag. Stukken rustiger dan op de doorgaande weg, een bijna Afrikaanse ervaring omdat ik daar ook gewend was om op niet geasfalteerde wegen te rijden, waardoor ik me gelijk behoorlijk op mijn gemak voel. De eerste kerkjes die we tegenkomen zitten stevig op slot en hebben behoorlijk wat achterstallig onderhoud. We gluren door de ramen en zien eenvoudige interieurs, die de gelovigen tijdens een wat lange kerkdienst vast en zeker een “houten kont” zullen bezorgen. Spartaans, zoals de zendingskerken van de Moravische kerk in Zuid-Afrika. We bereiken de kust, aan de overkant van het water ligt de Corcovado vulkaan, die we gistermiddag nog vanaf de Evangelistas bekeken. In de baai strak geordende vierkanten die worden gevormd door de drijvers die in het water dobberen en waaronder, zo veronderstellen we, oesterbedden hangen.

wordt vervolgd