OP ONTDEKKINGSREIS IN ROTTERDAM – 6 – DE ONDERZEEBOOTLOODS - 1 (30062011)

Voor het oude Rotterdamse hoofdpostkantoor staat een kleine vitrine op een sokkel van glimmend gepolijst graniet. In de vitrine staat een blinkende roestvrij stalen megafoon. Iedere dag om even voor twaalf uur komt vanaf de Meent een statig stappende man de Coolsingel op. Hij is gekleed in een zwaar gedateerd windjack en een idem pantalon. Een pet op het hoofd en een bril op de neus, beide ook al geruime tijd uit de mode. Doelgericht loopt hij naar de vitrine, opent die, pakt de megafoon, kijkt rond terwijl hij het ding aan zijn mond zet en dan, om klokslag twaalf uur, roept hij ”It’s never too late to say sorry!”. Soms applaudiseren de toevallige – en vaak verbaasde - omstanders, maar dat doet er verder niet toe. De man zet direct na zijn tekst te hebben gesproken de megafoon terug, doet de vitrine op slot en loopt onverstoorbaar voor zich uitkijkend in de richting van het Hofplein en verdwijnt net zo snel uit zicht als hij verscheen. Alsof er niets is gebeurd, herneemt het dagelijkse leven op de Coolsingel zijn loop. Deze performance-sculptuur, want dat is het, van het Scandinavische kunstenaarsduo Elmgreen & Dragset, is een tijdelijk kunstwerk dat hier een jaar blijft staan. Jammer eigenlijk. Het ontbreken van iedere vorm van informatie over het werk, over de bedoeling of niet van de performance, over de “stadsomroeper” maakt het juist zo intrigerend. Indachtig wat er in 2005 na de inauguratie met de Prada winkel van de kunstenaars in Texas gebeurde, is het wel erg braaf Nederlands dat de megafoon nog steeds niet is gejat of dat de sokkel en het glas bewerkt zijn met graffiti. De onbemande tijdelijke winkel – tijdelijk totdat de woestijn het kunstwerk weer zou hebben opgeslokt – inclusief een collectie originele Prada producten, werd tenminste in minder dan geen tijd helemaal leeg gejat. Braaf Nederland. Of nog erger: Braaf Rotterdam.

Een nog korter leven dan de megafoon is toegedacht aan de installatie “The one & the many” in de onderzeebootloods van de al jaren failliete RDM, de Rotterdamsche Droogdok Maatschappij. Triest en toch ook weer niet is mijn weerzien met dit bedrijfsterrein op de Heijplaat. Mijn vorige bezoek, meer dan een half leven geleden, herinner ik me goed. Het was voor een sollicitatiegesprek bij Rotterdam Nuclear, een dochter van de RDM die reactorvaten voor kerncentrales zou gaan bouwen. Een grote order voor Zuid-Afrika was bijna rond, een bedrijf met toekomst. Zo leek het althans. Ze boden me een baan aan - met een voor die tijd - vorstelijk salaris die ik zonder lang na te denken accepteerde. En toen begon de politiek zich ermee te bemoeien, want zakendoen met het Apartheidsregime lag in die jaren nogal gevoelig. Na een onthullend krantenartikel zag ik de naderende bui al hangen en belde af. Een week voordat ik zou beginnen. Oei, wat was men kwaad. Zij waren echter niet veel later werkloos en ik had een andere – zij het stukken minder betalende – baan gevonden bij een oliemaatschappij. Daardoor reed ik een paar jaar geleden even ten noorden van Kaapstad langs de Koeberg kerncentrale, die natuurlijk toch was gebouwd, zij het met apartheidsvriendelijke Franse reactorvaten. Fransen gingen en gaan nu eenmaal stukken pragmatischer om met controversiële projecten waarmee veel geld valt te verdienen. Katholieke flexibiliteit versus Calvinistische starheid. Iets dergelijks gebeurde in de jaren 90 van de vorige eeuw nogmaals toen de RDM vanwege het landsbelang geen moderne onderzeeboten voor Taiwan mocht bouwen. Het definitieve einde van de industriële activiteiten kwam in 1996, toen “bedrijvendokter” Joep van den Nieuwenhuyzen – sinds 1991 eigenaar – wat nog restte van de RDM hoogstpersoonlijk euthanaseerde. Derhalve worden er in de loods waar ooit onderzeeboten werden gebouwd, sinds vorig jaar zomertentoonstellingen georganiseerd door Museum Boijmans van Beuningen. Zinvol hergebruik van zieltogend industrieel erfgoed zal ik maar zeggen.

Heen met de fiets en terug met de boot vind ik de leukste manier om naar Heijplaat te gaan. Nou ja, zo leuk is het nu ook weer niet als je met harde tegenwind om die ruim 100 jaar oude Waalhaven heen moet fietsen. Die in vergelijking met vroeger een toch wel erg doodse Waalhaven. De tijd dat er schepen werden gebouwd en de kades van vrijwel alle pieren dag in dag uit onzichtbaar waren door de afgemeerde zeeschepen lijkt voorgoed voorbij. Zoals dat overigens ook het geval is met de aan het eind van de 19e eeuw gegraven Rotterdamse stadshavens. De Duitsers bouwden tijdens de oorlog aan de kop van ?ier 4 een “Schnellbootbunker”, die in 1946 een basis van de Nederlandse onderzeedienst werd. Het was daar altijd “VERBODEN TOEGANG”. Maar wie weet dat nog, alles is gesloopt en verdwenen. Tot en met het monument voor de gevallenen tijdens de Tweede Wereldoorlog, dat na de opheffing van de basis in 1962 naar Den Helder verhuisde. Aan de overkant, de kant van Heijplaat, heeft de horizon gelukkig nog wel de vertrouwde grote kranen. Lang geleden fietste ik op de vrije woensdagmiddag met klasgenoten langs de zuidzijde van de Waalhaven naar het openluchtzwembad “De Tramput”. Waarom het zo heette weet ik niet meer, wat ik nog wel weet is dat het geen bodem van beton of tegels had. Waar je kon staan, stond je met je voeten in de blubber. De weilanden aan de landkant zijn inmiddels volgebouwd met kantoorgebouwen en loodsen, in het water van de haven zijn een wat kantoorgebouwen gebouwd en daardoor heet het hier nu opeens “Waalhavenboulevard”. Het dorp aan de rivier had er beter aan gedaan de betekenis van het woord “boulevard” eens op te zoeken, alvorens het zo misplaatst te gebruiken.

wordt vervolgd