OP ONTDEKKINGSREIS IN ROTTERDAM – 5 – DE BRANDGRENS - 5 (22062011)

Op 14 mei 1940 vielen om 13 uur 27 de eerste Duitse bommen op Kralingen. Het was niet bepaald een precisiebombardement, ten zuiden van de Oudedijk slingert de brandgrens nogal grillig op en neer tot aan de rivier de Maas. Langs het tracé van de ruim dertig jaar geleden aangelegde tunnelbuis voor de oostverbinding van de Metro zijn bovengronds eveneens de nodige stille getuigen zichtbaar: “Gerdesiaweg“, het allerlelijkste metrostation en de noordzijde van de Lusthofstraat waar de woonblokken uit de negentiende eeuw werden gesloopt en vervangen door het soort kneuterige nieuwbouw dat destijds en vogue was. Nou ja de naoorlogse portiekwoningen aan de noordkant van de Gerdesiaweg, ontwerp Brinkman & van den Broek, die wel mochten blijven staan zijn ook niet bepaald een toonbeeld van architectonische schoonheid. Fantasieloze grijze portiekwoningen zijn het, een schoolvoorbeeld van vroege “wederopbouw woningarchitectuur“. En dat terwijl van den Broek aan het begin van zijn carrière het tot op de dag van vandaag zo goed ogende Mathenesserplein had ontworpen. Zouden die architecten eigenlijk zelf in een dergelijke door hen bedachte flat hebben willen wonen of gaat in deze de gulden regel “Wat gij niet wilt dat u geschiedt, doe dat ook een ander niet“ weer eens niet op? Al sinds het oversteken van de Rotte, na de wandeling over de Goudse Rijweg, over het voormalige Jaminterrein en Veemarktterrein en na het herhaaldelijk kruisen van de Gerdesiaweg, spelen de woorden van de Rotterdamse beeldend kunstenaar Gyz de la Rivière door mijn hoofd: “De stad is in de vorige eeuw niet één keer gebombardeerd, maar wel drie keer: eerst door het fascisme, toen door de modernisten en tot slot door de stadsvernieuwing“. Jeetje, wat is er op veel plaatsen toch een stedebouwkundig rotzooitje van gemaakt.

Flarden oud, flarden nieuw, zoals gezegd: in Kralingen heeft de brandgrens een nogal grillig verloop. Het grote grasveld langs de zuidkant van de Gerdesiaweg uit mijn schooltijd is grotendeels bebouwd, ook de gasfabriek en de boven alles uitstekende gashouder hebben plaats gemaakt voor woningbouw. Aan de kop van Willem Ruyslaan, op het kruispunt met de Oudedijk, staat het monument “Steen van de Miljoenen Tranen“ van Truus Menger, een oud verzetsstrijdster. Een onooglijk stuk graniet dat is bekleed met schelpen. Vanaf de bovenkant zou water moeten druppelen. Waterdruppels die de miljoenen tranen van de burgerslachtoffers van de oorlog symboliseren, behalve vandaag dan want het ding doet het niet. Op 14 mei nog wel, de dag van het bombardement. Schuin tegenover dit wat mij betreft geheel overbodige monument staat een opvallend streng gebouw met hoog in de gevel de woorden PRO REGE. Een verwijzing naar de afscheiding van de Nederlanden van Spanje toen Willem van Oranje opriep tot verzet met de leus „pro rege, lege et grege“? Nee, dat kan natuurlijk niet. De koning waar hier naar verwezen wordt, is beslist een andere dan de Koning van Hispanje. Het nauwelijks als kerk herkenbare gebouw uit 1924, het lijkt net een school maar wel een met mooie gevelstenen die de Calvinistische soberheid en strengheid uit mijn jeugd uitstralen. Rechtsaf de Adamshofstraat in, de uiterste oostkant van de brandgrens. Op het kruispunt met de Lusthofstraat staan twee monumentale winkelpanden uit 1911, aan de zijgevel van de ene kant het wapen van Rotterdam, aan de andere kant een wapen met een achtpuntige ster. Nee, niet zoals ik eerst dacht een Maastreechter Staar, die heeft er maar vijf, dit was het wapen van Kralingen totdat die gemeente in 1895 door Rotterdam werd opgeslokt. Ergens aan de overkant lag de Siondwarsstraat waar mijn vriend Wim Gijzen in zijn jongste jaren in de puin van het bombardement speelde. Aan het eind van de veertiger jaren zag hij daar de wederopbouwhuizen bouwen, die thans worden gesloopt om plaats te maken voor de volgende nieuwbouwgolf.

In het gebied rond het Boerengat, tussen de Oostzeedijk en de Maas, werd heel wonderbaarlijk de bebouwing tussen de Infirmeriestraat en het Oostplein overgeslagen door de Duitse bommen. Daar, achter een hoge muur aan de Oostzeedijk in de schaduw van een eigentijds spiegelende kantoorkolos, ligt een kleine begraafplaats waar tussen 1696 en 1810 leden van de ?ortugees-Joodse en Hoogduits-Joodse gemeente werden begraven. De rijen grafstenen staan er na een opknapbeurt weer opvallend fier bij. Het Oostelijk Stoomgemaal aan de Admiraliteitskade is een van de weinig overgebleven Rotterdamse voorbeelden van laat 19e eeuwse industriële architectuur. Zo’n gebouw uit de tijd dat arbeid goedkoop was en bouwmaterialen niet al te duur waardoor veel aandacht kon worden besteed aan details en decoratie. Het sierlijke smeedwerk van de poort en de door vaardige steenhakers vervaardige gevelelementen van grijze Belgische hardsteen contrasteren sterk met de overdreven strakke nieuwbouw aan de andere kant van deze binnenhaven. Vrijwel aan het einde van de rechte lijn die tussen de Oudedijk en de Maas kan worden getrokken, ligt aan de Oostmaaslaan het huis met nummer 255, de oostelijke “grenspaal“ van de brandgrens. Daar vandaan heeft men uitzicht over de rivier in de richting van „de Hef“ en de Koninginnebrug, die de zuidelijke Maasoever met het Noordereiland verbinden. Daar stuitte het Duitse leger in mei 1940 op dusdanig fel verzet dat een ultimatum werd gesteld: capituleren of bombarderen! Ambtelijk getwijfel en een communicatiestoornis aan Duitse kant bezorgden Rotterdam vervolgens een sfeerloos centrum en een 12 kilometer lange brandgrens.

slot