IN DE GEBOORTESTAD VAN CHE - 2 (15052011)

Het toch wel wat megalomane “Monumento a la Bandera” - het Monument voor de Vlag - voldoet aan alle eisen van een bouwwerk dat ouderwetse nationalitische grandeur dient uit te stralen. Het zou een ontwerp van Albert Speer kunnen zijn, noch zou het misstaan in een standaardwerk over socialistisch-realistische architectuur. Er is dus niet op een paar kuub beton gekeken of lullig gedaan over de oppervlakte ervan. Met dit monument in de geboortestad van Che Giuevara wordt een revolutionaire daad herdacht, het feit dat Generaal Manuel Belgrano – ik woon op een paar honderd meter van zijn praalgraf – in 1812 in Rosario voor het eerst de Argentijnse nationale vlag heeft gehesen. Aan de achterkant van de basiliek, die zeer voorspelbaar is opgedragen aan Onze Lieve Vrouw van Rosario, kun je het monument vanuit de hoogte bekijken. Of er tegenop kijken vanaf het laagste punt, waar de 70 meter hoge toren staat met een stoere voet die is voorzien van patriotische teksten en sculpturen van gespierde blote mannen die onder andere de Atlantische Oceaan voorstellen en de Paraná. Die rivier stroomt uit het zicht ergens achter het park aan de overkant van de weg. Voor iemand met een een redelijk ontwikkelde fantasie lijkt het monument, vooral door die hoge toren op de voorgrond en de oplopende enigszins uitwaaierende betonnen vlakte erachter, net op de ellenlange sleep van een koninklijke bruidsjurk. De toren neemt in deze uiteraard de plaats van de bruid in. Als waren het vuiltjes aan de onderkant van de sleep, staan achter de basiliek lage muurtjes die zijn behangen met de in dit land onontkoombare koperen plaquettes die de vlag en Generaal Belgrano ophemelen en evenzeer – en vast ook zo bedoeld – degenen die ze daar hebben laten bevestigen. Koperdieven, sinds enige jaren een internationale plaag, is het gelukt om een aantal minder solide bevestigde eerbewijzen te jatten. Gelukkig is er in de toren een lift die de naar uitzicht verlangende bezoekers naar boven tilt. Daar eenmaal aangekomen, valt onmiddellijk het platte gedenkteken op straatniveau voor de Malvinas op. Vanaf het hoogste punt van de nationale trots sinds 1812, kijkt men neer op de nationale obsessie sinds 1982. Het jaar van de verloren Falklandoorlog.

“Om te zien hoe Buenos Aires er 50 jaar geleden uitzag, moet je naar Rosario gaan. Voordat het te laat is”, zo werd mij de afgelopen jaren meerdere keren aangeraden. Ik heb te lang getreuzeld. De ongecontroleerde sloop van oudere huizen en gebouwen, die vervolgens zijn vervangen door glimmende hoogbouw, heeft Rosario al een tijd goed zichtbaar in haar greep. Enkele gunstige uitzonderingen daargelaten. Zoals het mooi opgeknapte hotel Esplendor, wij overnachten er, waar veel art nouveau details bewaard zijn gebleven van het hier vroeger gevestigde elegante Savoy Hotel, de Jockey Club, de oerlelijke – maar smaken verschillen - Club Español, het zeer stijlvol voor hergebruik opgeknapte warenhuis La Favorita, waarvan zowel het interieur als het exterieur er prachtig uitzien. En niet te vergeten het imposante Palacio Fuentes, waar het ontwerp van de hoge bronzen voordeuren werd geïnspireerd door de “Paradijspoort” van het baptisterium San Giovanni in Florence. Fuentes, een als bordenwasser begonnen Spaanse immigrant die bijzonder goed had geboerd, was voor zijn gevoel in Argentinië vast en zeker in het paradijs terecht gekomen. Voor het evenwicht ontdekken we elders in de stad, in de voormalige rosse buurt vlakbij het station Rosario Norte, een verlopen bar die “Las Puertas del Infierno” heet, de poorten naar de hel. Het stationsgebouw, een creatie van Britse spoorwegbouwers, zou niet misstaan op het Engelse platteland, huisvest een filiaal van het Museo de la Memoria, waar de herinnering aan de militaire dictatuur van 1976 – 83 levend wordt gehouden. Veel treinverkeer is er niet meer, tussen de wagons hangt de was van de bewakers te drogen. Het nieuwe geld komt van de in het buitenland rijk geworden voetballers en bestaat verder uit “agrodollars”. Rosario is het eindpunt van de produktielijn van soja, het groene goud van Argentinië. De sojabonen worden hier geperst en de olie verdwijnt in tankers richting China, VS of Europa of wordt verwerkt in biodiesel. De havenaktiviteit is de laatste jaren verplaatst, sommige oude loodsen en silo’s hebben een culturele bestemming gekregen. Zoals die in stralende kleuren geschilderde silo waarin thans het Stedelijk Museum voor Schone Kunsten is gevestigd. Op de vrijgekomen kades en haventerreinen is een vele kilometers lange wandelboulevard aangelegd en worden super de luxe torenflats gebouwd met uitzicht over het water en de lege land aan de overkant van de Paraná.

In de schaduw van de oeververbinding tussen Rosario en Victoria, bruggen, viaducten, tunnels en wegen met een lengte van bijna 60 kilometer, is het goed eten en drinken. En zeer betaalbaar, zolang je tenminste wegblijft bij de restaurants die aan de rivier liggen. Aan de overkant van de weg is het stukken eenvoudiger, stukken lager geprijst en vast en zeker stukken smakelijker. Wij schuiven aan in de “Club del Este” en bestellen een vismenu met “boga”, een lokale riviervis, als pièce de resitance. Het blijkt een verrassingsmenu, ons wordt het ene bord na het andere voorgezet, maar geen boga. We vragen ons af hoe die vis eruit ziet en hoe die wordt geserveerd: in één stuk, in moten, gefileerd, gebakken of gepocheerd. Net als we op het punt staan voldaan achterover te gaan leunen, wordt de boga gebracht, gebakken en in één stuk. Burgerlijk lekkerbekken in Che’s geboortestad. Uit eigen waarneming weet ik nu dat het inderdaad een provinciestad is. Maar wel een erg aangename.

slot