|
NIEUWE KAAPSE KRONIEKEN - 63 (04012010) Vrijdag, 20 november 2009. Bij het Orbicule Koppie, in de buurt van Concordia dat op de kaart bijna niet is te vinden, is het zeldzame vulkanische gesteente “orbiculair dioriet” te zien, zo had een collega mij verteld. Hij was er zelf geweest, dus de zekerheid dat het bestaat had ik. Dankzij de folder van de VVV die ik in Springbok oppikte, weet ik hoe het er ongeveer uit moet zien en dat het ergens ten westen van het dorp in het open veld geduldig ligt te wachten op bezoek. Als een ziekenhuispatiënt op het bezoekuur. Dit moet gaan lukken. Bij de kerk linksaf, zonder GPS of wegenkaart westwaards, gewoon middels de stand van de zon. Die zal toch ook hier wel in het westen ondergaan? Aan het eind van het pad een vuilnisdump en brokken steen die het zouden kunnen zijn, de omgeving klopt echter niet. Dan maar bij de kerk rechtdoor proberen. De slecht begaanbare stoffige weg naar Pofadder gaat weliswaar in de verkeerde richting – noord-oost -, maar een andere is er niet. Na een minuut of tien een omheind terrein, daar zou het wel eens kunnen zijn. Dat leid ik althans af uit het monumentachtige bouwsel dat er staat, met aan de voorkant een gladde metalen plaat – zou de plaquette zijn gejat? – die is afgezet met grote brokken zachtroze kristalsteen. Nee, hier is het dus ook niet, het lijkt meer op een picknickplek. Het moment van bijna opgeven wordt afgewend als terug in het dorp zomaar een bord opduikt met het opschrift “ORBICULE KOP”. Op de heenweg gemist om de doodeenvoudige reden dat het alleen vanaf deze kant komend wordt aangegeven. De puzzelrit is nog niet voorbij omdat er opnieuw verder niets wordt aangegeven. Even voorbij een koppie met een geïmproviseerd parkeerterrein wordt het pad onbegaanbaar voor mijn auto, dus, zo deduceer ik, zal het daar wel zijn. Ik beklim de heuvels en geef mijn ogen goed de kost. Hier en daar wat pokdalige vulkanisch gesteente, prachtige kokerbomen, een mooi uitzicht over de vlakte die erachter ligt. En dan ontdek ik de ovale keien die zijn gevangen in brokken gestolde lava, bingo, dit zijn de zeldzame stenen die ik zoek. Het heeft eigenlijk wel wat weg van een reep chocolade met lekker veel hazelnoten. Maar het gevoel dat ik oog en oog sta met iets heel bijzonders? Nee, dat gevoel wil maar niet komen. Op de terugweg naar Springbok kijk ik nog wat rond in het oude mijnstadje Okiep, waar in 1870 de rijkste kopermijn van de Kaapkolonie was gelegen. Erg lang geleden. Midden in het dorp zijn het grote wiel van de lift van de mijnschacht en een op een fabrieksschoorsteen lijkende ventilatietoren het bewijs dat er hier onder de grond iets zat dat erg de moeite waard was. Concordia, Okiep en Springbok lagen ruim honderd jaar geleden vanwege die minerale rijkdom op de frontlijn van de Boerenoorlog. Ook dat is nog zichtbaar, vooral in Springbok waar in het centrum een klein koppie is met bovenop een fortificatie. Hoewel gesloten voor het publiek, duw ik een hek open en klauter naar boven, niemand die er iets van zegt. Onderweg een koperen gedenkplaat van de SA Weermag “voor die behoud van democrasie het die volgende namakwalanders hul lewens gegee”. Vanaf de niet al te hoge top heb je een verbazend goed gezicht over de vallei. Toch een strategisch punt dus. Aan de voet van het “fort” het in een Afrikaner gemeenschap bijna onvermijdelijke monument ter herinnering aan “het Voortrekkers Eeufees 1838 – 1938”. De hotelbar herinnert eveneens aan de goede oude tijd: RESIDENSIËLE KROEG EN KLUB – SEMI FORMEEL”. Er wordt echter geen enkele moeite gedaan om deze schijn op te houden voor de enige hotelgast. Ik mag in korte broek en t-shirt naar binnen en drink de laatste drie flesjes koude Windhoek pils die in de koelkast liggen. Het Masonic Hotel, het bijgebouw was ooit de Vrijmetselaarsloge, is vergevorderde vergane glorie en heeft daarmee leren leven. Zaterdag, 21 november 2009. Bij Steinkopf, even voorbij de afslag naar de oceaan, staan heuvelopwaarts een drietal matjieshuizen, de traditionele bolvormige Nama onderkomens: een frame van stevige, buigbare takken die worden afgedekt met rieten matten. De naam spreekt eigenlijk voor zichzelf. Langs deze weg naar Port Nolloth moet Klipfontein te vinden zijn, de ruïne van een hotel met een watertoren waar de stoomtreinen naar de kust water innamen en oorlogsgraven uit de Boerenoorlog. Het is altijd goed om een reisdoel te hebben. De Anenouspas over - voorheen veel mooier Muishondfontein geheten -, stevige hoogteverschillen, bergen en dalen, leegte, eenzaamheid troef, prachtige vergezichten. Voordat de spoorweg werd aangelegd om de kopererts van de mijnen van Okiep en Nababeep naar de haven te vervoeren, reed hier een zogenaamde “mule train”, convooien van door ezels getrokken karren. Hoewel ik vermoed mijn reisdoel al lang voorbij te zijn, is er van opgeven geen sprake. Zeker niet nadat ik aan de horizon van het niemandsland een paar torens ontwaar, waarvan ik achteraf zal ontdekken dat het watertorens van de spoorlijn waren. Een kilometer of twintig verder keer ik toch maar om, in deze doodse streek valt echt niets te beleven. Terug boven op de Anenouspas ontdek ik aan de linkerkant van de weg, onbereikbaar in het veld, de watertoren met erachter de fundamenten van het hotel. Geen ingang, een prikkeldraadafzetting, ietsje verderop toch een hek. Volgens de van toepassing zijnde plattelandsetiquette openen en gelijk weer sluiten zodat eventueel in de buurt grazende schapen niet kunnen ontsnappen. Via een zandpad bereik ik de “toeristische bezienswaardigheden” van minder dan likmevestje. wordt vervolgd |