|
NIEUWE KAAPSE KRONIEKEN - 58 (14122009) Vrijdag, 6 november 2009. De stap van de relatief recente historie van Modderfontein naar de veel oudere nalatenschap van de San in de Wildebeest Kuil bedraagt ongeveer veertig kilometer. Eenmaal afgeslagen van de grote weg, rijd ik langs de zuidelijke sloppenwijken van Kimberley waar ongetwijfeld een aantal van hun verpauperde nazaten woont. Hier nu eens niet de gebruikelijke rotstekeningen, die ik overigens mateloos boeiend vind, maar unieke “gravures” die in grote in het open veld liggende stenen zijn gekerfd met stukken van een nog hardere steen. De oudste zouden tussen de 1000 en 2000 jaar oud zijn, exactere datering is onbegonnen werk omdat keien nu eenmaal geen organisch materiaal bevatten. De “ongeveer” datering is gedaan aan de hand van materiaal dat tijdens archeologische opgravingen rond de heuvel werd aangetroffen. De vindplaats in de open lucht ligt op land dat sinds ruim 10 jaar toebehoort aan de !Xun en Khwe San, twee niet gerelateerde San gemeenschappen die na de burgeroorlog in Angola en bevrijdingsoorlog in Namibië naar Zuid-Afrika werden geëvacueerd. Wat hen is overkomen, herinnert sterk aan wat veel Ambonezen overkwam na de onafhankelijkheid van Indonesië: niet langer in hun eigen land gewenst omdat ze hadden samengewerkt met de koloniale machthebbers. Hun odyssee is te zien in een documentaire die in het bezoekerscentrum wordt vertoond en waarin, enigszins tot mijn verrassing, perfect Afrikaans sprekende leiders aan het woord komen. De erfenis van een jarenlang dienstverband in het Zuid-Afrikaanse leger waarin de San fungeerden als spoorzoekers en gidsen. Bafana heet mijn eveneens Afrikaanstalige gids, hij heeft alle tijd voor me, want ik ben - zo zie ik in het gastenboek - de eerste en enige bezoeker vandaag. Hij begeleidt me naar de vindplaats, legt me de gedragsregels uit waarna hij mij, zeer tot mijn genoegen aan mijn lot overlaat. Vanaf enige afstand bezien lopen we naar een “koppie” – een heuveltop – dat is bezaaid met keien, grote en kleine rotsblokken wellicht. Iets verderop een flinke plas water, een drenklaats voor de wildebeesten? Verder is niets anders te zien dan een droge vlakte met verspreid laaggroeiend fijnbos, zeg maar een woestijnachtig landschap met wat plantjes die naar water staan te snakken. De Kalahari woestijn is niet al te ver naar het noorden, het is snikheet. Zo’n streek waar een vraag over regen wordt beantwoord met “Regen, wat is dat?” Eén van de aannames over de betekenis van deze plek is dat San priesters hier rituelen zouden hebben uitgevoerd om regen te maken. Er is een wandelroute uitgezet, waar nodig ligt een plankier. Op die manier kun je rustig bekijken wat men wil dat je bekijkt zonder de vindplaats te verstoren. Terecht. Sommige stenen zijn lang geleden, dat wel, bekrast door passanten “B.Booysen, 1909, april 25 en MBusby 1882”, anderen zijn door de Britten meegenomen om ze “veilig te stellen in een museale omgeving”. Geheel in de koloniale traditie van toen. In vergelijking met de San rotstekeningen minder mensen, minder trancedansen, geen jagers, vooral meer grotere dieren, meer symbolen, de zon en zo. Bij mij komt de gevolgde techniek, zonder het nodige respect te betuigen dat hier op zijn plaats is, op het volgende neer: men neme een grote aardappel met donkere schil, door het met een scherp mespuntje stukjes van de schil te verwijderen onstaat dan de afbeelding die je wilt maken. Het zou misschien ook wel als een eenvoudige vorm van lithografie kunnen worden omschreven, maar dan zonder de bedoeling om het in de steen gemaakte beeld ooit af te drukken. Ik speur op mijn gemak de stenen af op zoek naar de beloofde beelden van struisvogels, elanden, hartebeesten, olifanten en wildebeesten, de zon en mensen. ’t Is een spannende wandeling, want op iedere steen kan immers een tekening staan. Hoewel het zo op het eerste gezicht wat onwaarschijnlijk lijkt, heeft deze ceremoniële plek van de San die “zomaar” in het open veld ligt toch veel gemeen met de grotendeels overdekte plekken die ik eerder in de Cederbergen zag: hoger gelegen met goed uitzicht over de omgeving, vlakbij water om het vee te drenken, voldoende vrije ruimte nabij de tekeningen om in groepsverband ceremonieën te vieren en rituele handelingen – zoals de trancedans – te verrichten. Aan de voet van de vindplaats is een eenvoudig hedendaags monument opgericht ter nagedachtenis aan de San leider Kavsob of Kousop en ongeveer 130 van zijn medestanders die zich actief verzetten tegen het landje pik van de blanken in wat destijds het westen van de Oranje Vrijstaat was. Kousop, bijnaam Scheelkobus, leidde dit verzet van een aantal oudsher in dit gebied wonende ethnische groepen, waaronder de Griqua. Nadat de door hem geleide verzetstrijders een paar maanden eerder verschillende boerderijen hadden aangevallen, werd in juli 1858 de jacht op hen geopend. Bij Slypklip, in de buurt van het hedendaagse Kimberley, kwam het tot een treffen waarbij Kousop en het meerendeel van zijn medestanders sneuvelden. Zij die het overleefden werden gevangen genomen om terecht te staan, de mannen werden echter onderweg vermoord, de vrouwen werden voor dwangarbeid toegewezen aan lokale boeren. Het monument bestaat uit een kleine, niet al te hoge, stapeling van stenen in de vorm van een cirkel, die wat achteloos in het veld lijkt te zijn geplaatst. Vroeger een lastpak, thans wordt Kousop terecht geëerd als een van de eersten in Zuid-Afrika die het verzet van de autochtone bewoners tegen de oprukkende kolonialisten organiseerde. wordt vervolgd |