NIEUWE KAAPSE KRONIEKEN - 56 (05122009)

Donderdag, 5 november 2009. De zon schijnt veelbelovend bij het wakker worden, na de douche is het grauw en valt de regen met bakken uit de hemel. Voorjaarsweer in Kaapstad, dat mij er natuurlijk niet van weerhoudt om op pad te gaan. Naar Beaufort West, bijna vijfhonderd kilometer verderop, de tussenstop en route naar de legendarische diamantstad Kimberley. Bijna op het gevoel te moeten rijden is niet erg handig, maar na ruim een uur is het droog. De N1, de grote weg naar Johannesburg, wordt na Worcester een 2-baansweg, zo’n beetje waar de wijnbouw in de Breedekloof ophoudt. De volgende vallei, die van de Hexrivier, is van bergwand tot bergwand beplant met tafeldruiven, aan het eind ervan de steile klim naar de hoogvlakte. Daarna overheerst voor de zoveelste keer tijdens mijn zwerftochten de dorre droogte van de eindeloos lijkende Karoo. De aankondiging van de afslag naar Maatjiesfontein veroorzaakt kort de drang om van de voorgenomen route af te wijken. Nostalgische foto’s in de krant, een fameus Afrikaner lied, het station van Maatjiesfontein moet iets speciaals zijn geweest tijdens de lange reis van Kaapstad naar Johannesburg. De spoorlijn, die parallel loopt aan de grote weg, bestaat echter hoofdzakelijk nog uit verlaten stationnetjes die dankzij de grote naamborden op de perrons als zodanig herkenbaar zijn. Niet alleen het rigoreus sluiten van onrendabele lijnen, maar ook het toenemende vliegverkeer en autobezit, hebben na het afschaffen van de apartheid een ware slachting aangericht in het nationale spoorwegnet. Zelfs ik betreur dat, had ik anders niet een stuk confortabeler uit het raam van een trein kijkend dezelfde reis kunnen maken? Nu moet ik voortdurend op de weg letten en kan slechts af en toe van de omgeving genieten zonder het leven van mijzelf en andere weggebruikers al te zeer in gevaar te brengen.

In Laingsburg even pauzeren, benzine tanken en de krant in het Afrikaans kopen. Tijdens die korte stop valt mijn oog op het Vloedmuseum aan de andere kant van de weg. Hier moet mijn nieuwsgierigheid per se wel worden bevredigd. Het thematische museum is gewijd aan de ondenkbare vloedgolf die dit dorp op 25 januari 1981 trof. Stel je voor: Laingsburg ligt op 676 meter boven de zeespiegel én midden in een van de droogste gebieden van Zuid-Afrika. De keren dat ik hier eerder voorbij kwam, stroomde er niet meer dan een bescheiden hoeveelheid water door de in de diepte gelegen bedding van de Buffelsrivier. Is dit nu de plaats voor een catostrofale overstroming? Zoiets kan toch niet? Dat zelfde dachten de inwoners van Laingsburg toen de vloedwaarschuwing werd gegeven, met alle gevolgen van dien. In twee dagen tijd viel er toen meer neerslag dan normaal in ongeveer drie jaar. Daardoor onstond er een vloedgolf waar de Buffelsrivier samenvloeit met de Baviaansrivier en Wilgehoutrivier, de rivier trad buiten haar oevers en spoelde met grote kracht een groot deel van het dorp weg. Meer dan 20 kilometer stroomafwaarts werd een tiental overlevenden gered, de lichamen van hen die minder geluk hadden, kwamen bij Mosselbaai in de oceaan terecht. Aan die ramp is dit museumpje gewijd. De collectie is nogal beperkt: krantenartikelen over de ramp, de oude Unie-vlag en voorwerpen die uit het water of de modder werden gevist. Recente archeologie zou ik het willen noemen. Naast het museum de helaas gesloten Vloedwinkel, waardoor ik blijf verstoken van een blik op souvenirs die ik toch nooit zou kopen, en een eenvoudig monument. Bij de informatiebalie probeer ik er – in het Afrikaans – achter te komen waarom de in de buurt gelegen Moordenaarskaroo zo heet. Het ontwijkende antwoord luidt “baie veel stories – te veel verhalen“. Daar heb ik geen reet aan, maar hoe zeg ik dat nu in het Afrikaans?

Net buiten de bebouwde kom staat een stoer blockhouse, een overblijfsel van de flexibele Britse verdedigingslinie tijdens de Boerenoorlog. Aan de horizon de Towerkopberg, vlakbij Ladismith, waarvan ik het zo karakteristieke silhouet onmiddelijk herken. Nog steeds op bekend terrein. De rest van de 200 kilometer naar Beaufort West echter niet. Dit stuk weg is berucht vanwege de vele dodelijke ongelukken die relativerend “fatigue related accidents“ worden genoemd. Met enige regelmaat waarschuwingsborden van het “KANNIEDOOD“ verkeersveiligheidsproject en zijn er stukken met geribbeld asfalt om de weggebruikers vooral wakker te houden. Kanniedood is overigens de naam van een inheemse boom, die in de Transvaal Kafferboom wordt genoemd. Maar zo kan een project heden ten dage natuurlijk niet meer worden genoemd. Veilig en wel arriveer ik in Beaufort West, waar de jacaranda’s bloeien en verder weinig is te beleven in de zinderende middaghitte. Het plaatselijke museum is gevestigd in voorheen het stadhuis, de kerk en de pastorie. De welkomsgroet is wat twijfelachtig: “KENNISGEWING: Hierdie perseel is ’n wapenvrye gebied. Alle vuurwapens moet by die sekuriteitspunt ingelewer word alvorens toegang verleen sal word.“ Het gaat om niet meer dan een gebaar, denk ik, want metaaldetectorpoortjes of fouillering ontbreken en als enige bezoeker kan ik alleen maar de hand aan mijzelf slaan. Iets wat overigens niet ondenkbaar is gezien de behoorlijk depri makende collectie. ’s Werelds eerste harttransplantatie wordt verbeeld in een nagebouwde operatiekamer, inclusief in OK-kleding gestoken etalagepoppen. De rest van de zaal is gevuld met vitrines met daarin diploma’s, oorkonden, krantenartikelen, onderscheidingen en geschenken die Christiaan Barnhard daarna uit de hele wereld ontving. Tot en met een paar Delftsblauw beschilderde houten klompen uit het vaderland. Dit deel van de collectie wordt in het voormalige stadhuis getoond, wat staat mij in de kerk en pastorie in vredesnaam nog te wachten?

wordt vervolgd