NIEUWE KAAPSE KRONIEKEN - 51 (09112009)

Zaterdag 10 oktober. Aan het einde van de wandeling over de vier kilometer lange Hamerkoproete strijden ontmoediging en optimisme om voorrang. ’t Is niet zo dat ik door een overdosis ruig natuurschoon opeens last zou hebben van emoties, hoewel je natuurlijk nooit weet of er bij het bereiken van de middelbare leeftijd geheel onverwacht sprake kan zijn van enige mentale turbulentie. Tijdens een vliegreis waarschuwt de piloot tenminste van te voren en weet je wat je staat te wachten. Aan de ene kant zijn we wat ontmoedigd door het gebrek aan rotstekeningen, die ene enkele plek was toch wel wat magertjes. Aan de andere kant zijn we juist bemoedigd omdat er maar weinig geklommen en geklauterd hoefde te worden. Zoiets maakt overmoedig, hoewel je daar altijd pas achterkomt als het te laat is. Zonder te pauzeren stappen we spontaan de 9 kilometer lange Gifboomroete op. De 21 kilometers van de Boesmanroete kosten ongeveer negen uur, iets dat we zeker niet gaan redden voor het invallen voor de duisternis. Dat is zo’n wandeling waarmee je bij het krieken van de dag aan moet beginnen. Het begint met veel vals plat, dat voel je aan je kuiten, eenmaal boven de boomgrens valse doornige struiken. Het advies om de wandeling in lange broek te maken, is niet voor niets gegeven. Hoger en hoger klimmen we, rechts een diep ravijn, af en toe veel klauteren met ondersteuning van de van de handen. Horizontale en verticale spagaatstappen. Maar rotsktekeningen? Nee dus. Langzaam maar zeker begin ik me wat belazerd te voelen door de receptioniste die ons vertelde dat iedere wandeling mooie tekeningen heeft. Steeds vaker heb ik behoefte aan een slok water om te maskeren dat ik het tempo omhoog van mijn half zo jonge gezelschapsdame met moeite bij kan houden. Het valt soms niet mee om “voor altijd jong” te willen zijn. Tijdens zo’n wandeling verlies je vooral door het geklim en gebrek aan bewegwijzering het gevoel voor afstand en hebt geen idee of “the point of no return” al dan niet voorbij is. Daarbij komt ook nog eens dat de witte voetjes die de weg moeten wijzen, verbleekt zijn of verdwenen en dan na lange tijd – opluchting alom – opeens weer opduiken. Alsof de wandelaar voortdurend wordt uitgedaagd, of liever gezegd “geziekt”. Althans zo voelt het. Doorbijten, er zit niets anders op. Een plateau en daarna een nog net iets hoger plateau aan de rand waarvan – eindelijk! - in de diepte de landerijen en het “rusoord” liggen én alle obstakels om het te bereiken zichtbaar zijn. Volgens de hoogtelijnen op het wandelkaartje staan we hier op ongeveer 450 meter boven de zeespiegel.

Aan de moeilijkheidsgraad van de afdaling zal ik niet te veel woorden vuil maken. Kruip door, sluip door, op handen en voeten, een paar keer langs de afgrond. Je vastgrijpen aan struiken en boomtakken om niet naar beneden te glijden of over het randje van de afgrond te kieperen. Stille hoop – die immers doet leven – om alsnog rotstekeningen tegen te komen als beloning voor de moeite, houdt ons gaande. Het mag niet zo zijn. Geheel onverwacht stappen we een sinaasappelgaard in, lopen daarna door rooibosvelden en langs de familiebegraafplaats, die gemakkelijk is te herkennen. De graven liggen, zoals te doen gebruikelijk, in de schaduw van de enige bomen die in de akkers staan. De huwelijkssluiting is inmiddels in volle gang. Gedragen gezongen psalmen die worden begeleid door een hijgend orgeltje, de Afrikaner dominee die met hel en verdoemenis dreigt indien de bruiloftsgasten van het rechte pad afwijken. Aan de andere kant van de wereld voelt het zo verschrikkelijk vertrouwd aan, deze beelden en geluiden die me herinneren aan mijn kinderjaren aan de rand van de Veluwe. Onvoorstelbaar. Het in een voormalig schoolgebouw gevestigde pension waar we overnachten doet dat trouwens ook. “LUI KLOKKIE VIR DIENS”, adviseert het bordje op de voordeur oftewel “bellen als je geholpen wilt worden”. Zo gezegd zo gedaan. Helaas mogen we niet in een van de klaslokalen slapen, dat zijn de tweepersoonskamers. Rotzooien met een getrouwde collega, daar begin ik nu even niet aan. Wij krijgen ieder een kamer in de oude dienstwoning en dineren ’s avonds als enige gasten in de gymzaal.

Zondag 11 oktober. Nog voordat het licht wordt, wekken de voor gisteren aangekondigde onweersbuien me. Het is voelbaar frisser geworden. Een deel van de geplande weg terug naar huis, een kilometer of zestig “grondpad”, zou daardoor wel eens moeilijk berijdbaar kunnen zijn. Daarentegen kun je ook niet vanuit de lucht als een snel voortbewegende stofwolk worden waargenomen, is de onzinnige gedachte die bij me opkomt. Gisteravond waarschijnlijk iets te veel van de alcoholische versnaperingen genomen. “Geniet die tee!”, wenst de dame die het ontbijt opdient. Mijn dag kan al bijna niet meer stuk. Zo mooi dat Afrikaans, een taal die ik steeds beter spreek en begrijp. Na van de thee te hebben genoten, rijden we richting Vredendal. Halverwege de afslag naar Lambertsbaai, een onverharde weg met onverwachte vergezichten. Kilometers lang gele dwarsstrepen in het golvende landschap, net ouderwets gepermanente dameshoofden. De omweg van 53 kilometer daarna, om de tol tussen Lambertsbaai en Elandsbaai te vermijden, is zeer de moeite waard. Die gaat langs en door de wetlands van de Verlorenvlei, waar de Klein Anthonierivier in de Atlantische Oceaan uitmondt. In Darling is “Evita se Perron” gesloten omdat vandaag in grote delen van de West-Kaap het licht even is uitgevallen. Onvoorspelbaar Afrika, zelfs rond Kaapstad waar velen het liefst ontkennen in Afrika te wonen. Net Argentijnen, die vaak vinden dat hun land door de fout van een cartograaf in Zuid-Amerika terecht is gekomen. Jeetje, wat voel ik me hier toch op mijn gemak!

wordt vervolgd