NIEUWE KAAPSE KRONIEKEN - 50 (03112009)

Zaterdag 10 oktober. Het is nog donker als ik opsta. Na het douchen nipt de zon over de bergrug aan de overkant van de Tafelbaai, waardoor het in aanbouw zijnde voetbalstadion scherp afsteekt tegen het felle ochtendlicht. Snel een foto maken van dit mooie beeld, daarna mijn gezelschapsdame ophalen en op pad. Naar de Gifberg, waarvan ik eerder deze week ontdekte waarom die zo heet. Er groeit of groeide de “gifbol” (boophane disticha), een zeer giftig bolgewas. Een bol die in de bloei wordt bekroond door een flinke bos rode bloemetjes met gele puntjes, eerder een vuurbol want het zijn net vlammetjes. Het rubberachtige gif daarvan werd door de autochtone bewoners gebruikt om een vloeistof te bereiden waarin ze hun pijlpunten doopten alvorens op jacht te gaan. Dat zou, volgens de overlevering althans, het doden van hun prooien aanzienlijk hebben vergemakkelijkt. Als die eenmaal waren aangeschoten, was het slechts een kwestie van tijd tot het gif ervoor zorgde dat het dier het loodje legde. Diezelfde oorspronkelijk bewoners, de San Bosjesmannen, of tegenwoordig politiek stukken correcter: de Khoenkhoen, zouden op de Gifberg unieke rotstekeningen hebben achtergelaten op hun ceremoniële plaatsen. Met die tekeningen heb ik wat. De eenvoud, het toch niet helemaal zeker weten van het hoe en waarom, de vormen van mensen en dieren, dat alles interesseert me mateloos. Na 200 kilometer drinken we op de kop van de Piekenierspas koffie alvorens het Citrusdal in te duiken. “De laatste behoorlijke kop koffie die je voor de grens met Namibië kunt drinken”, volgens de schoonzoon van Jenny, de eigenaresse met grote idealistische plannen die ze me ruim een jaar geleden onthulde. De geplande bouw van het dorp voor AIDSwezen heeft de tekentafel zo te zien nog steeds niet verlaten. Het lijk er zelfs verdacht veel op dat het terrein dat ter voorbereiding min of meer bouwrijp was gemaakt, weer wordt overwoekerd door snel groeiende struiken en hoog opschietend onkruid. Was het hele project dan toch een luchtkasteel? De enige zichtbare bouwaktiviteit vindt hier plaats in de bomen die rond het terras staan, wevervogels vliegen af en aan om hun in de takken hangende nesten van gras te bouwen. Dat zijn tenminste echte luchtkasteeltjes. Vioolsdrift, de grensovergang met Namibië, ligt overigens 500 kilometer verder naar het noorden. Als de koffie onderweg inderdaad zo beroerd is, zit er niets anders op dan wijn te drinken. Te beginnen in Klawer, waar we toch een tussenstop moeten maken om accommodatie voor vannacht te gaan regelen omdat, tot mijn chagrijn, de ideaal gelegen Gifberg Holiday Farm in zijn geheel is afgehuurd voor een trouwerij. Dus wordt het behelpen met de Oasis Country Lodge, een grootse naam voor het pension dat in de voormalige lagere school is gevestigd. De eigenaresse spreekt niet meer dan een paar woorden Engels, heel gebruikelijk in deze plattelandsdorpen. Eerder deze week stond er een ingezonden brief in Die Burger waarin de Canal Walk, een even groot als afzichtelijk winkelcentrum, ervan werd beticht het Afrikaans te discrimineren. Ondernemers die daarop werden aangesproken, verklaarden dat “het Engels nu eenmaal de bezigheidstaal – de zakentaal – is”. Op het platteland van de West-Kaap is dat dus lekker ouderwets het Afrikaans en weinig anders. Mijn Engelse gezelschapsdame kan er geen touw aan vast knopen, ik dus wel.

De lage rode bergrug begrenst een kurkdroge streek die aan de andere kant van de weg naar Namibië doorloopt tot aan de Atlantische Oceaan, slechts onderbroken door het groene lint van de met het water van de Olifantsrivier geïrrigeerde wijngaarden. Iets verder naar het noorden liggen VanRhijnsdorp, de Knersvlakte en de Matsikamma bergen. ’t Spreekt haast vanzelf dat we even later over een zandweg rijden die als een rechte streep door het landschap loopt, tot aan een kruising waar even rechte dwarsstrepen naar links en naar rechts gaan. We slaan rechtsaf, waar het “grondpad” na een paar kilometer begint te klimmen en kort daarna bijna steil omhoog gaat, dit moet de nog geen honderd jaar geleden aangelegde pas naar de achtergelegen hoogvlakte zijn. Iedere keer opnieuw vraag ik me af of het pure radeloosheid is geweest of blind dooorzettingsvermogen dat pionierende kolonisten deze vrijwel onbereikbare, onzichtbare en kurkdroge gebieden binnentrokken om uiteindelijk genoeg water en genoeg vruchtbaar land te vinden om te kunnen overleven. Zouden ze zijn getipt door de lokale bevolking die ze opjaagden alsof wilde beesten waren? Het lijkt me niet erg waarschijnlijk, maar hoe dan wel? Het Oubergpad volgend belanden we uiteindelijk bij het “Gifberg Rusoord” zoals de holiday farm hier “onder ons” heet. We kopen een summiere wandelkaart en vragen welke van de routes de mooiste tekeningen heeft. “Alle drie”, is het antwoord, dat schiet lekker op. Eerst de kortste dan maar, de 4 kilometer lange Hamerkop Roete. om te kijken hoe het gaat. Al snel na het begin een bordje dat naar de eerste “BOESMAN tekeninge” wijst. Verborgen onder een overhangende rots een kleine maar gevarieerde verzameling tekeningen van mensen en dieren. Het is een veelbelovend begin, een aanmoediging om stevig door te stappen om veel meer te ontdekken. Het zandpad maakt al snel plaats voor klimmend rotsachtig terrein, op de rotsen geschildere witte voetjes geven de richting aan. Zo maar uit het niets klettert er plotseling een stroompje water naar beneden, alsof iemand ergens daar boven de kraan aan heeft laten staan. Een heuse mini-waterval. Wonderbaarlijk dat er water uit de rotsgrond opwelt, dit moet een “oog” zijn, een bron die er voor zorgde dat degenen die zich hier vestigden konden overleven en boeren. Maar nogmaals, hoe is deze destijds zelfs te voet vijwel onbereikbare plek in vredesnaam ontdekt?

wordt vervolgd